Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geraakt alles hoe langs hoe meer in verval, en het zijn ten laatste slechts stootpollen, die hij kweekt, en anders niet.

Zoo islftet met de mensohenwerekf>ot>k. Gaat ment haar ieder in zijn' eigen' kring niet naauwkeurig na, beginnende van zicH0 zeiven en den kring, wattri)* men behoort; is niet ieder naauwlëttend, ernstig, ijverig, het goede gras wordt scfeaarsch, en de stootpollen vermeerderen. Verbetert men den akker niet, de grond brengt allengs--niéts anders voort dan nutteloos gras. Zorgt de landman 'echter Vlijtig voor zijnen bodem, hij zal overwinnen, en allengs!vflm* minderen de verderfelijke zaden, die anders den grond zoo welig bedekken.

Maar gij , o Natuur en menscheö'wer?éll,l beide zijt gij zoo ingerigt, dat er altijd iets in u wassen moet, hetzij goed of kwaad, dat, naar den aard des bodems, ook het kenmerk in zich zelf draagt van uwen wezenlijken toestand. Verachtert gijy°*ch! dan wordt alles met den dag minder, terwijl er ten laatste bijna niets overblijft dan stootpollen, steenen des aanstoots, iüa9B natuurlijke en geestelijke wereld beide.

; Bodem des gemoeds ! als dat zoo is, en dat uit u niets dan planten opgroeijen, aft', in hardheid, nutteloos^ feitf én onaangenaamheid, aan die grassoort gelijkt? welke de Natuur slechts dan levert, als de akker ten eenmale verwaarloosd ligt, o hoe zeer zijt gij—dunte beklagen, en is uw toestand diep treurig, hoogst bejammerenswaardig ! maar wie f die Uwen wezenlijken toestand aanschouwt, zal niet doordrongen worden v**

Sluiten