Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sems schijnen zich dos in het zonnelicht te spiegelen: — het is alles echter slechts schijn en bedrog, en anders niets, o Mensch! zoo is al nw werken. Hetgene gij doet, is sneeuwgetoover om de doode Natuur: zoo lang gij zelf niet ontwaakt uit den doodslaap, is hetgene gij sticht een tempel van rijm in den, ijskouden winterslaap zonder warmte, zonder leven. In dien konden tempel, hoe schoon ook gemaakt, hoe schoon ook omtooid, hoe schijnbaar levend, aanbidt gij uwe Godheid, die toch niets is dan dat koude schijnsel, zonder duurzaamheid of leren, dat gij, oru de gedaante van leren te hebben, om uwen tempel heen tooverdet; gij hebt van de waarheid den vorm ontleend; gij hebt der Natuur hare gedaante ontnomen ; gij hebt het alles gekleed met den schijn des levens, maar het is en blijft dood, eeuwige dood!

Weemoedig stond ik daar, en zag, en treurde; mijn geest was diep getroffen: de waarheid had tot mij gesproken; toen werd de zon warm en warmer, en ziet, in weinige oogenblikken schudde het zachte: morgenwindje alle pracht van den rijm van de boomen af, en er bleef Biets van al die heerlijke schoonheid over!

Het smartte mij niet. Neen ! ik was er verblijd over. Schnd af bet sehijnleven, vernietig het, o mensch! want daartoe zijt gij niet geroepen. Ik zag mijnen tempel glimlachende van al zijne heerlijkheid ontdoen , en ik treurde niet; want reeds was met mij zeiven geschied, wat ik daar aanschouwde. Se zon werd mij toen het beeld der eeuwige genade, als zij eene ziel bestraalt, waardoor dan gindsch sehijnleven vernietigd wordt. Als zoo de zon der geregtigheid den

Sluiten