Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch bestraalt, dan vergaat het leven midden in' den dood, dat sehijnleven, dat ijskoude sneeuwgetoover, dat immer bedriegt; dan worden de hulsels, die aan het gestorven beeld den schijn des levens gaven, weggerukt. De gedaante des tempels verdwijnt , en het is niets dan ijskoude winter in al zijne doodschheid.

i Maar, o mensch! zoo moet het ook met u gaan. Ook dat alles moet eerst met u plaats vinden. De schijngeregtigheid moet vergaan, de zelfzucht in hare zondige gedaante gekend, het schijnbare leven vernietigd worden, en dat, o mensch! doet de zon des levens. Heeft dat plaats gehad, bestraalt, verwarmt die zon dan verder den mensch, al is bet onder den strijd der lente, met onweêrswolken afgewisseld, al is het in den moeijelijksten kamp, het is toch het ontwaken van het ware leven.

Dat zal komen. Eens, als gij na maanden wederkeert, zult gij dit alles nogmaals aanschouwen. Dan zal het u weder een tempel zijn, maar dan een tempel Gods, waarin alles vol van leven is. Dan is de dood verdwenen. Bloemen en vruchten prijken dan heerlijk aan het geboomte, o Mensch! dat het met u ook zoo wierde! o Dat gij den schijndood overwinnen, het sehijnleven vernietigen mogtet! Al ware het, dat gij dan arm, naakt, ellendig waart, ja verloren in uwe eigene oogen, dan zou de zonne der geregtigheid u beschijnen, leven en levenswarmte in uwe doode ziel overademen, ja leven, eeuwig leven, zou uw deel zijn!

Toen zweeg die stem. En ik sprak: o Dat het zoo met mij wierde! Ja dat dacht ik, dat bad ik.

Sluiten