Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overige planeetstelsel, waarvan toch de aarde zulk een onbeduidend deel uitmaakt. Maar deze beschouwing , welke buitendien, naauwlettender gadegeslagen, op geenerlei wijze met eene grondige beschouwing der Heilige Schrift te vereenigen is, met die namelijk , welke Hem, van wien alle Openbaringen getuigen, in de innigste betrekking stelt tot de gansche; zigtbare schepping, zoowel als tot de algeheele geschiedenis van het menscbeUjk geslacht, laat zich ook nog door eene grondige beschouwing van de omloopstijden, der hemelligchamen wederleggen.

Beginnen wij vooreerst bij het gebuurligchaam onzer aarde, bij de maan. Het aantal der dagen in een maanjaar, 354^, is het quadraat van 18xf, terwijl het getal der dagen in een zonnejaar het qnadraat is van iets meer dan 19(19i££3.) Deze beide getallen vinden wij dan ook in eene' grootcre, voor aarde en maan beide even gewigtige periode^ in den 18- en 19-jarigen maan- en zonne-cyclus, weder. De door bradley ontdekte periode van de slingering (nutatie) der aardas bedraagt namelijk 18T| jaren, en even zooveel, wijl beide met elkander in verband staan, de omloopstijd der maanknoopen, waarvan de bruikbaarheid tot berekening der verduisteringen den Ouden reeds bekend was. Naauwkeurig immers voleindigen de knoopen der maanbaan eenen ganschen omloop onder de sterren in 6793 dagen, 10 uren, 6 minuten en 30 sekonden, of in 6793, 4_£^ dagen (18, s121 jaren). Daarentegen bedraagt de periode, na welker verloop het begin van een zonnejaar telken male weder met eene nieuwe of volle maan zamenkomt, 19 jaren, en deze

Sluiten