Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Job VIII: 11—15.

De Goddelooze, vergeleken bij de Nyl- Papierplant,

Eigenaardig zijn de Natuurbeschouwingen der Ouden. Reeds blair, en zoo menig een na hem, merkte op , dat zij nooit eenig beeld teekenden, dat zij niet levendig voor oogen hadden. Zij ontleenden, hetgene zij gaven, niet aan de verbeelding, maar aan de wezenlijkheid. Zij bragten hunne poëzij niet te zamen bij den walm eener lamp, maar in het vrije gebied van Gods heerlijke schepping.

Zoo mag dan ook wel onder alle planten Gods geene zoo zeer het gemoed getroffen hebben, als de NijlPapyrus. (*) Deze plant wast, met driesnijdenden steel, soms anderhalf voet dik, sierlijker dan andere gewassen, tot eene hoogte van zes tot tien ellen, (j) en spreidt hare breede lischvormige bladeren aan twee of drie stengels boven de oppervlakte van het Water uit. Zij heeft dat zeldzame, dat zij geheel met hare wortelen in het water staan moet, zal zij voortleven. Immers toch niet, gelijk de andere planten, door hare bladeren uit de lucht de levensvochten inzuigende, leeft zij slechts door den wortel, die het werk der voeding voor de gansche plant waarneemt, waardoor dan ook deze wortels zoo groot

(*) Cyperus Papyrus. L.

(f) Patavii , p. 110. Tab., p. 411. Schubt, Bijbelserie Physicus, bl. 349.

Sluiten