Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iets opmerkelijks vond ik aangaande dit beeld, toen ik deszelfs eigenaardige strekking verder onderzocht, toen ik zag, dat het niet alleen jobs belangstelling tot zich getrokken had, maar ook die van stbabo, in de eeuw van chbistds levende, die ons meldt, dat bij, naar bet eiland Phile, in den Nijlstroom in Opper Egypte gelegen, willende, om den Tempel van osiris, aldaar, te bezoeken, op eene soort van scheepje, van riet zamengesteld, overgevaren was; (*) terwijl pococke, omstreeks 18 eeuwen later, op dezelfde plaats op even zulk een scheepje overvoer, welke scheepjes hij ons als van de uiterste ligtheid beschrijft, 'zijnde slechts van riet, dat op nitgehoolde kalebassen rustte, vervaardigd, (f) Zoodanige scheepjes zijn dan zeer zeker van de ligtste soort , en worden op den snellen stroom ontwijfelbaar met ongemeene snelheid weggevoerd.

Als dan de Dichter van dit schoone Boek zijne levensr'eize overdacht, en zich met weemoed herinnerde, hoe jaar op jaar reeds heengesneld was; of als hij zich verhevene plannen voor de toekomst vormde, zich in werelden verplaatste, die nog eerst na jaren stonden geboren te worden; of als hij dacht aan den langen tijd, die er nog verloopen moest, eer hem het een of ander plan zoude gelukken: hoe heerlijk sprak hem dan de Godheid toe in het beeld van het Nijlrietscheepje: hem of vertroostende, of vermanende, of bemoedigende in gindsche als wolk-

(*) Stbaio, Lib. 28.

(f) Pococjti, 1" Deel, 2e Boek, 6e Hoofdstuk.

Sluiten