Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

» Wien schonkt Gij nwe hulp? — Het was den krachtelooze. ■"*•■

Wie werd door U gered ? — Die zich niet redden kon.

Wien viel uw raad ten deel ? — Dien alle wijsheid faalde.

Wat schat van wetenschap hebt Ge aan het licht gebragt!

Wiens woorden toch hebt Gij verhaald?

Wiens adem toch is uit uw' mond gekomen?" —

Bij deze plaats hebben wij, naar mijn inzien, aan God te denken. Job wil zeggen: God heeft zijne verdediging niet noodig; het is zelfs Gods adem, die van hem uitgaat, en het zwakke schepsel kan de plaats zijns Scheppers niet vervullen.

Nu verder: » Het schimmenrijk komt in beweging, Het d' afgrond en wat daarin woont. Het doodental ligt voor Hem open, En 't graf, met al wat was vernietigd. Het noorden breidt Hij uit en dekt weêr de ijdle ruimte, En de aarde hangt Hij op, al zwevende aan een niets. Zijn watren bindt Hij zaam in 't dundoek zijner wolken,

En geen der wolken berst door dezen zwaren last. Hij vestigt zijnen troon, voor elks oog afgesloten; Het wolkbehang in 't rond gespannen voor dien troon. Hij meet en perkt het vlak, hoe ver de watren stroomen, Tot daar waar duisternis en licht zich zaam verliest. De zuilen van het dak des hemels voelt men beven; ' Zij siddren voor zijn stem. — Zijn magt zweept voort de zee;

Sluiten