Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zonder tnsschenpoos treft slag op slag ome ooren. o! Wonder boven al! het is Gods stem, die donder; 't Zijn dingen, die Hij doet, groot, boven ons bevatten.

Straks krijgt de sneeuw bevel op aarde neêr te dalen; De regen stort en plast almede op zijn gebod; Op aller menschen hand drukt Hij dan 't Godlijk zegel: Zij staan verbaasd op 't zien der werken van zijn hand. Het wild gedierte zelfs verschuilt zich in zijn leger, En legt zich in zijn hot in stilte neêrgedoken. Van 't zuiden komf de storm. De koude komt van 't noorden. God doet de watren stollen; Zijn adem vormt het ijs,

En de uitgestrekte zee wordt in vast land herschapen. Zie nu, de regenwolk wordt door Hem voortgedreven, En bliksemend door 't zwerk naar allen kant verstrooid.

Zij wendt, en dwarlt, en draait naar zijnen wil en wenk,

Opdat.zij 't werk verrigt', dat de Almagt haar beval, Tot zegen van dit volk, tot welzijn van dat land, Naardat zijn goedheid zulks behaagt."

Men moet een Oosterling zijn, om het weldadige van den regen te waarderen, en den trek der wolken, hoe zij hier of daar heendrijven, met zulk eene oplettendheid te schetsen. Het is bloot het tegenwoordig oogenblik, dat zuno afmaalt. Verder heet het:

* Kom, job! leen hieraan 't oorl

Kom, let aandachtig op de wondren onzes God»!

Sluiten