Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weet gij ook, hoe dat al door God zoo wordt beschikt ?

Hoe Hij uit 't donk re zwerk dat schittrend licht doet stralen ?

Weet gij het, hoe zijn hand de zwaarte weegt der wolken ?

Kent gij de wonderen diens Wijzen boren allen?

Gij, wien u 't kleed te warm wordt,

Wanneer Hij op deze aard' stil uit het zuiden ademt,

Kunt gij het luchtgordijn zijn handen helpen spannen,

Dat rast en' enen staat, gelijk een spiegelvlak ?

Kom, geef mij onderrigt, wat wij Hem zullen zeggen 1

Hoe roeren we ons geding, daar alles donker is!

Hoe meldt men 't Hem, als ik wou spreken?

En sprak een mensch, zou 't woord niet in zijn keel verzwelgen ?

En nu dan, kan men 't licht niet aanzien,

Als 't helder straalt aan 't zwerk, door scherpen wind gezuiverd,

Als 't goud komt uit het noorden?....

Nog vreeslijker is God in zijne Majesteit!

Hem, de Almagt, kunnen wij niet vinden:

Onmeetlijk is zijn magt, regt vaardig zonder einde,

Geeft Hij geen antwoord, mensch] van 't geen zijne Almagt doet.

Vereer en vrees Hem dus!

Wie zich een Wijze waant, acht Hij zijn' blik niet waardig!"

Men ziet, hoe ver de jonge Wijsgeer in zijne redenering komt, daar hij het voor onmogelijk verklaart, wat juist nu geschieden zal. Juist, daar hij gelooft, dat de donkere wolk mensch en God voor eeuwig scheidt, en geen sterveling ooit de stem des

Sluiten