Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3.

Aan de Maan.

• Schoon zijt gij, Hemeldochter 1

Het zwijgen van uw aangezigt is vriendlijk om to aanschouwen.

Met lieflijkheid treedt gij té voorschijn.

De sterren wachten uwen gang,

Uw' blaanwen gang in 't oosten.

o Maan 1 wanneer gij komt, is 't vreugde voor de wolken,

Haar donkre zoomen zijn verguld.

Wie aan den hemel is aan u gelijk, o Dochter van den nacht ?

De sterren zijn beschaamd, wanneer gij komt verschijnen,

Zij wenden 't fonklend oog snel af.

En waar verbergt gij u bij 't einde van uw' loop,

Als donkerheid uw aanzigt dekt?

Hebt gij, als ossiak, ligt ook uw halgewelf,

Waar ge in de schaduw van 't verdriet ter neêr zit,

Omdat uw zusteren zoo van den hemel vallen, (*)

Die eens 's nachts met u vrolijk waren,

En niet meer zijn ?

o Ja, zij vielen, lieflijk Licht 1

Daarom gaat gij zoo vaak nu treuren;

(*) Vallen is bij ossiak de gewone uitdrukking van den dood.

Sluiten