Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kunt gij den krokodil met eenen haak voortslepen ? Met koorden zijne tong doorboren ? Een teen hem door den neuze steken? Een' doorn hem door de kaken wringen ? Zal hij gestaag u vleijen, streelen , Met zoete woorden tot u spreken ? Zal hij met u verbonden, maken , Zich altijd, als uw slaaf, naar uw bevelen.schikken? Kunt gij met hem als met een' vogel spelen ? Hem binden tot een spel voor uwe jonge maagden? Zal 't jonge volk hem voor zich uitbedingen, Om onder koopliên te verdeelen ? Kunt gij zijn huid met pijlen vullen? Zijn' kop doorpriemen met harpoenen ? Zoo gij 't woudt wagen om de hand aan hem te slaan, Gij zoudt den strijd niet andermaal vermelden. Zie hoe een' mensch en hoop en moed ontvalt, Al lag voor zijn gezigt hij uitgestrekt ter aarde. Zoo roekloos is hij niet, dat hij hem op durft wekken; En wie is 't dan , die durft zich voor mijn aanzigt stellen ?

den olifant niet gevonden worden. Daar bovendien de naam behemot waarschijnlijk zelfs de Egyptische naam van het Nijlpaard, p-ehe-mouth, is (hier slechts op de Hebreeuwsche manier uitgedrukt, zoo als Hebreë'rs en Grieken alle vreemde namen vervormen), daar hij verder, te zamen met den krokodil , tegenover de landdieren, die in eene afzonderlijke rede voorgesteld worden, geplaatst is, en als een vreemd gedrogt, zoo als de Oosterlingen alle waterbewoners beschouwen, den troep sluit, verkrijgt, dunkt mij, deze meening hierdoor eene overwegende waarschijnlijkheid.

Sluiten