Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie kwam Mij voor, dien Ik iets schuldig ben ?

't Is alles mijn in hemel en op aarde.

Van zijne vastgevlochtne leden,

Van zijne onwinbre kracht, of prachtig zamenstel,

Zal 'k ook niet zwijgen.

Wie durft zijn kleed toch van nabij beschouwen ?

Zijn dubble tandenrij, zeg, wie durft die genaken?

De deuren van zijn' muil, wie durft die oopnen ?

Schrik waart rondom zijn tanden ;

Zijn rug is een gewelf van schilden,

Als met een zegel naauw gesloten,

Het een vereenigd met het ander,

Dat er geen Wind kan tusschenkomen;

Elk kleeft op 't andre vast;

Zij vatten in elkaar en zijn zoo onafscheidbaar;

Zijn niezen doet de lucht in licht ontvlammen;

Zijn oogen blikkren als de glans des dageraads,

En de adem van zijn' mond is brandend als een fakkel';

't Is vonken licht van vuur, dat sprankelt uitzijn' muil;

Kook dampt uit zijnen neus,

Als uit een' pot, die kookt; een heete ketel stoomt;

Ontvlammen zou zijn adem kolen;

Zijn muil schiet schittrend vlammen uit;

De sterkte is in zijn' hals geplaatst,

En de angst stapt trotschlijk voor hem henen ;

De klompen van zijn vleesch zijn met 't gebeente zamen

Gekleefd, als gesoldeerd, zoo onbeweeglijk vast;

Zijn hart is vast als steen,

Als de ondersteen eens molens.

Verheft hij zich, dan ziet men helden beven,

Van schrik verpletterd zich bezoedlen.

Sluiten