Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenzaam, met een' kleinen buidel en een' staf, moest de jongeling zich op weg begeren, in de hoop, de aanverwanten zijner moeder te mogen vinden. Maar waar zou hij hen zoeken, die honderde nren ver, gelijk zijn vader, met hunne kudden ronddoolden? De eerste dag zijner reize was begonnen, waar zou hij moed vinden, om deze reis met kracht voort te zetten? o, Het onderscheid was al te groot 1 Ginds de zoon van een' Herdervorst, de lieveling zijner moeder, in allen overvloed, omgeven van de zijnen, bediend op zijne wenken; hier alleen, aan zich zeiven overgelaten, nog altijd in de vrees, dat zijn broeder zijne wegen zou kunnen nasporen — en hem dooden.

Ginds zoo gelukkig, zoo vrij van zorgen; nu zoo ongelukkig; want het geweten hield niet op, hem te beschuldigen, terwijl de gedachte aan den langen weg, de zorg, of hij de zijnen wel vinden mogt, en de vrees voor allerlei gevaren hem. van alle zijden benaauwden.

Hier zag hij zich omringd van het verscheurend gedierte der woestijn, van den loerenden roover, die den eenzamen vreemdeling gemakkelijk konden overvallen; hier moest hij dagen lang rondzwerven in woestijnen, waar de minste afdwaling hem van dorst en honger kon doen bezwijken; ach! en boven en in het midden van dit alles de gedachte: • Ware ik slechts zoo begeerig niet geweest; had mijne hand zich slechts niet tot de misdaad uitgestrekt, mijn levensweg ware gewis in stillen vrede in het huis mijner Vaderen, ten einde géloopen." Nu ziet hij, te midden van de duizende gedach-

17

Sluiten