Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dertierenheid en mijn burg, mijn hoog vertrek en mijn Bevrijder, mijn schild, op wien ik vertrouw, die zich zelven mij onderwerpt! o Heer! wat is de mensch, dat Gij tegen hem strijdt, het kind eens menschen,'dat Gij van hem overwonnen wordt! Het is immers uwe liefde, o God! waarom uwe handen tegen mij worstelen! Gij stelt mij met jacob tot een beeld uwer aanvechtingen, en hebt mij toch met jacob tot een bewijs uwer zonderlinge liefde en ontferming gemaakt. Gij tast mij aan als eene tegenpartij en vijand, en draagt toch zorg als een barmhartig Vader tegen al mijne vijanden. Ach! kon ik het altijd alzoo begrijpen! Het is immers de kracht van uwe hand, dat, wanneer Gij mij bestrijdt, Gij evenwel mij niet overmoogt? Gij, Heer des Hemels! werdt door U zeiven overwonnen van mij, armen aardworm; en Gij, Almagtige! kondt niet bestaan voor mij , onvermogende, dewijl het U zoo behaagt in uwe genade. Gij wondt mij wel, maar Gij doodt mij niet; en wanneer Gij mij krenkt aan mijne heup, zoo ontgaat Gij echter niet aan mijne hand. Gij houdt en bekent U zeiven in mijne magt, opdat ik zulks bekenne, en U te vaster houde. Gij begeert losgelaten te worden, en wilt toch bij mij blijven. Gij dringt mij, om U te dringen, en houdt U , alsof Gij van mij gedwongen werdt tot hetgene U uw genadig en gewillig hart beweegt en dwingt. Gij maakt, dat ik van U verzoeke om hetgene, waarom Gij mij gezocht hebt en tot mij gekomen zijt. Gij zult (ikgeloove, Ileere ! kom mijn ongeloof te gemoet) eindelijk in mij ook kroenen uwe gaven, en

Sluiten