Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God abrahams, izaïuis en jacobs; en nogtans vreest mozes en bedekt zijn aangezigt, alsof God zich een verterend vuur genoemd had: en waarom dat? God is niet minder vreesselijk aan de zijnen in zijne barmhartigheid, dan in zijne regtvaardigheid. Groot is uwe barmhartigheid, als Gij tegelijk gevreesd wordt! Geene mindere majesteit schijnt in de gunst Gods, dan in zijne oordeelen. Het goddelooze hart vreest God slechts, als de aarde beeft, de wolken donderen, of de hemel vuur laat vallen ; maar de vromen kunnen Hem vreezen in zijnen liefelijksten zonneschijn. Zijne zoete verlossing en weldaden kunnen hen met ontzetting bevangen.

Zoo was het mozes, zoo eiken dienstknecht Gods. Zalig de ziel, die Hem in alles kent! »Wie ben ik," zeide mozes , . dat Gij mij hebt uitverkoren tot zulk een gewigtig werk?" Deze zijne nederigheid werd zijne kracht. Vroeg, in Egypte, wilde hij; nu, na veertig jaren, wilde God ! Het is onze zwakheid, dat wij de dingen, waartoe wij genegen zijn, nog veraf zijnde, willen doen; wanneer zij echter nabij zijn, er voor vervaard raken, en den moed verloren geven. Hoe velen kunnen den dood uitdagen en afwezige verzoekingen trotseren, die zij, wanneer zij tot hen komen, ontloopen willen! Dan zou men gaarne het tegendeel zien, en morren over hetgene men nu moet doen of ondergaan.

Zoo behandelt haiiids deze en iedere Bijbelsche geschiedenis. Dit zinnebeeld, aan'mozes verschenen wordt den man, die overal gelijkenis van Gods weg met de menschen zag, voorzeker een treffend zinne-

Sluiten