Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rust, geheel in het karakter der Hebreeuwsche historietaai in het algemeen, en in het hijzonder van het verhaal van de groote daden des Heeren in Egypte is, waarbij het van dank en bewondering vervulde hart niet buiten eenen zekeren invloed gebleven is. Het: geen regel zonder uitzondering, was den verhaler van zelf zoo duidelijk, dat hij het niet noodig achtte, de uitdrukking van algemeenheid, om de uitzonderingen, die voor hem geheel op den achtergrond voorkomen, te vermijden. Zoo handelt hij doorgaans. Volgens Hoofdst. IX: 25, b. v., worden alle boomen door den hagel verbroken; volgens Hoofdst. X: 5, eten de sprinkhanen al het geboomte af. Wil men dat alle hier in den volstrekten zin verstaan, dan verkrijgt men eene tegenstrijdigheid, welke zelfs nit de volslagenste gedachteloosheid niet te verklaren is.

Behalve de reeds aangewezene hoofdeigenaardigheid, komen er nog meer, op zich zelve staande, Egyptische eigenaardigheden in voor. Wij zullen met de merkwaardigste derzelve beginnen, wélké in vs. 19 vervat is. Baar wordt gezegd: • Er zal bloed zijn in gansch Egypte, zelfs in houten en steenen (uitheb. : beide in houten en steenen) vaten." Deze woorden hebben in den eersten opslag iets zeer iri het oogloopends: zij verliezen hetzelve eerst dan, wanneer zij uit de Egyptische zeden, waarop zij betrekking hebben, verklaard Worden. In gewone tijden laat men het troebele JYijl-v/ater in houten of steenen vaten, meestal in de laatste, klaren; terwijl, wanneer men het spoedig helder wil hebben,

Sluiten