Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tal ik bidden voor u, voor uwe dienaren, voor uw volk, om de vorschen te doen uitroeijen van u en uwe huizen, dat zij alleen overblijven in de rivier?" en dat farao zegt: » tegen morgen;" terwijl hij ook had kunnen zeggen: » bid nog heden, ja terstond !" waaruit vooral r dunkt mij , blijkt, dat hij de magt van mozes heeft willen beproeven, als zijnde meer dan die van een' man, met eenen scherpen blik in de Natuur begiftigd. Immers het was te verwachten, dat farao gezegd zou hebben: .bid terstond!" De plaag toch moethem vreessebjk lastig gevallen hebben. Doch hij stelt het vier en twintig uren uit, om te zien, of de vorschen ook van zelve in dien tijd zouden verdwijnen. Dan ware mozes slechts wijzer dan de Wijzen, niet magtiger dan deze geweest. Maar mozes zegt te regt: «naar uw woord, opdat gij wetet, dat de Heer, onze God, niemand heeft, Hem gelijk!" Zoo was alles er op berekend, om farao met geloof in God te vervullen. Edoch, te vergeefs. De kastijdingen Gods hebben steeds dat heilige doel gehad. Dit, dat hij een van God afhankelijk wezen is, moest elke plaag den mensch leeren. Merkwaardig is hierover de leer der onderscheidene Bijbersche Schrijvers. Men vergelijke slechts job V: 17, enz.; Ps. LXXXIX: 32, 33 en 31; Ps. XCIV; Ps. CXIX: 71; Jes. XXVI en XXVII: 8; Ier. X: 24, XXX: 10, enz., XXXI: 18 en XLVI: 28; Hebr. XII: 6, enz. en Openb. III: 19.

Dat een plotselijk verschijnen van dieren, die steeds in het land voorhanden zijn, in gewone tijden bijna niet opgemerkt wordt, en zelfs in een verschrikkelijk aantal, waardoor zij eene zware landplaag worden,

Sluiten