Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorzien van eene bron, waren doorgaans gedekt met vijgeboomen en wijnstokken ; daar woonden zij het liefst; daar ontvingen zij hunne gasten; daar zaten xn te konten; daar hielden zij hunne maaltijden. Dat genot was den Egyptenaar ontnomen; de hagel beroofde hem van het genoegebjkste rustpunt cijns levens. Maar zoo mag het voor den Israëliet vaak, als Gods toorn hem om zijne zonden bezocht, eene even smartebjke beproeving geweest zgn, van zijnen wijnstok en vijgeboom beroofd te wezen ; als hagel of aardbeving, lange droogte of vijand hem zijne rustige woning ontnam onder den vijgeboóm en wijnstok; maar zoo heeft ieder volk zijne eigene lievelingsplaats, en ook wij spreken van onzen eigen' haard, als van de plaats der gezelligheid, der rust, des vredes. Ook hier kennen wij de bezoekingen Gods, die dien rustigen zetel van genót in rouwe doen verkeeren, als watersnood, vloeden en overstroomingen het land teisteren, als ons land door de vijanden bezet of overweldigd wordt, ab vee of menschen* ziekte dien haard met smart en kommer verrolt; ja dan zien wij bij ons zelve vervuld, wat den Israëliet zoo vaak bedreigd en zoo dikwijls overkomen is. Wil men het eigenaardige kennen der beschouwing van den Israëliet, van zijnen wijnstok en vijgeboom, men leze Vent. VHI:8, 1 Kon. IV: 2*^ 2 Kon. XVIII: 31, jks. XXXVI: 16, «r. V: 17, VIII: 13, hos. II: 11, JOëi I: 7, 12, II: 22, amos IV: 9, hicha IV: 4, hacsaï Wx 20, zach. III: 10. Vooral echter, wat, 1 Kon. IVr 25, aangaande het veilig wonen, zoo als ook «jcha IV: 4, en het

< 22 *

Sluiten