Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elkander noodigén onder den vijgeboom en den wijnstok, zacii. III: 10, vermeld staat.

ACHTSTE PLAAG. Sprinkhanen.

Wat de achtste plaag, die der sprinkhanen, betreft, wordt in het verhaal zelf, Hoofdst. X: § en 14, de aandacht daarop bepaald, dat alleen derzelver hoeveelheid ongehoord, doch dat dit verschijnsel anders iets gewoons in Egypte was. Hartmahn brengt de berigten van Oudere Reizigers [onder welke hordeh (S. 119) die, welke hij gezien heeft, breedvoerig beschrijft) op S. 24Ö te zamen, met de woorden: «Met Syrië en andere landstreken van jiiië heeft Egypte ook de plaag der sprinkhanen gemeen; echter vindt men geene berigten, dat dezelve hier zulke groote verwoestingen aanrigten, als in Syrië, Arabië, enz." Van bijzonder belang is het berigt van dehow , over eenen door hem waargenomen' togt van sprinkhanen, T. I. p. 287, van de uitgave te Londen: .Twee dagen na dit onheil ifzij waren door een' hevigen chamsin overvallen geworden), kregen wij berigt, dat de vlakte met vogels bedekt was, die, als in eene gesloteae kolom, van het oosten naar het wésten trokken. Wij zagen inderdaad van verre, dat de velden zich schenen te bewegen, of ten minste, dat er een lange stroom door de vlakte liep. In de meening, dat het vreemde vogels zouden zijn, die alzoo in een zeer groot aantal voorbijtrokken , begaven wij ons ijlings

Sluiten