Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen behoedt." Daartoe behoort Terder, wat phokksch, in zijne Herinneringen uit Egypte en KleinAzië, D. II, bl. 244, van de Egyptische Beduïnen schrijft: • Hunne gezondheid is ijzervast (unersehü^ir^ lich). Men schrijft de oogenpest in Egypte, welke onder de Fellah'a en zelfs in de steden woedt, toe aan den dauw en aan het stof der woestijn. De Beduïn slaapt onder den blooten hemel, en zwerft van de eene woestijn haar de andere, en nooit heeft deze pest zich onder hunne stammen verspreid." Hiermede stemt overeen, wat michaud, in de Brie/wisse-, ling uil het Oosten, D. VII, bl. 29, zegt: » De Beduïnen zijn over het algemeen zeer matig; zij hebben geene Geneesheeren en weinig ziekten; de oogziekte, die algemeene kwaal in Egypte, is hun bijna onbekend. Be pest rigt zelden verwoestingen onder hen aan." Hun, welke in deze natunrlijke aanleidingen, door ons voor de plagen in Egypte bijgebragt, aanstoot mogten vinden, wordt, met terugwijzing op hetgene wij reeds in de inleiding over het altijd wonderbare karakter dier daadzaken, ook boven deze natuurlijke 'overeenstemmingen uitstekende, aangemerkt'hebben, herinnerd, dat, zelfs bij de wonderen in de woestijn, het manna en de kwartels onloochenbaar, en volgens algemeene toestemming, zulke na>tuurlijke aanleidingen plaats hebben. De verdedigers eener mythologische verklaring moeten echter erkennen, dat juist dat gedeelte, hetwelk hun het stevigste bolwerk voor hunne meening toeschijnt, deze op de beslissendste wijze tegenwerkt.

Sluiten