Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan ik niet zwijgen, en liever getroost ik mij de verdenking van vermetele aanmatiging dan de beschuldiging, dat ik zelfs niet voor mijne en zijne leerlingen zou gesproken hebben over den man, wiens zeldzame begaafdheid ik bewonderd, in wiens school ik mij gevormd, wiens hoogachting ik bezeten, en wiens voorkomende vriendschap ik in ruime mate genoten heb. Smartelijk was het mij, door afwezigheid niet mede de laatste eer aan zijn overschot te hebben kunnen bewijzen, en die smart werd zelfs niet gelenigd door de verzekering van zijn beroemden zoon, dat hij gevoelde hoe grievend het mij moet geweest zijn , bij zijn graf gemist te worden. Maar nog smartelijker zou mij de zelfbeschuldiging blijven, wanneer ik tot zijne vereering niets had bijgedragen uit vrees voor de verdenking van ijdelheid of vermetele aanmatiging, als had ik mij zeiven bevoegd gerekend om den redenaar te schetsen, die gedurende zes en dertig jaren den zeldzaamsten roem heeft staande gehouden. En — waarom dit ontveinsd? — ofschoon ik mij boven elke beschuldiging wist te verheffen, waarbij mijn geweten niet tegen mij getuigde, voor eene soortgelijke verdenking zou ik hoogstgevoelig zijn, indien uwe toestemming mij ontbreken moest, dat ik als een der eerste leerlingen van den geliefden man minder in uwen naam aan zijne nagedachtenis de verschuldigde hulde bewijs, dan een zijner

Sluiten