Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerst en boven alles hebt gij te zorgen, bij de beoefening der godgeleerde wetenschap, uw kinderlijk geloof te bewaren en door haar het te zuiveren en te versterken. Wie met een eerlijk gemoed betwijfelt , wat hij als Christenleeraar te verkondigen heeft, hij mist alle kracht om wèl te spreken: hij kan van de kerk een school, van de godsdienstoefening eene eenzijdige verstandsontwikkeling maken; maar door zijne persoonlijkheid geloof, hoop en liefde te werken , neen! dat kan hij niet. Wijsgeerige bespiegelingen kan hij in de plaats der eenvoudige waarheid van de Schrift stellen; maar met en door haar te geven wat den eenvoudigen, den kinderkens in Christus geopenbaard wordt, dat kan hij niet. Den gemoedelijke vertoonen en in Gods oogen een huichelaar zijn, dat kan hij; maar gemoedelijk te zijn om anderen waarlijk gemoedelijk te maken, dat kan hij niet. Ach'. dat niemand met het leeraarambt begunstigd werd, die niet van ganscher harte gelooft: dat niemand het begeerde, wien het gelooven niet tot spreken dringt'. Het zou een zegen voor de gemeente zijn, die toch ook meer zwijgers dan sprekers behoeft!

En dit brengt mij tot het tweede, dat ik bij deze gelegenheid heb aan te bevelen. Ieder ontwikkele zijn aanleg, en heeft hij er geen voor prediker, dat hij toch de gemeente met zijn persoon niet bezware! Hoevelen hebben echter goeden aanleg, ik zeg niet

Sluiten