Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt Hij gaarne gehouden, dewijl Hij hun zoo aangenaam en nuttig is — Zij dwingen Hem , zij smeeken Hem met tranen, dat Hij bij ben blijve, Psam LI: 13. En verwerp mij niet van uw aangezigt ende en neem Uwen Heiligen Geest niet van mij. — En Lukas XXIV : 29. Zij dwongen Jezus dat Hij bij hen bleef. En Hand. XVI: 15, zoo gij oordeelt Paulus, zeide Lydia , dat ik den Heere getrouw ben, zoo kom iu mijn buis en blijf er — Waar Geest in het hart is, och zeggen zij: God de Heilige Geest blijf toch bij mij ! Die wortel der zaak moet blijven; die lamp, die kool moet niet uitgebluscht worden. — Waar de Geest is, daar is een aangenaam verkeer tusschen dat hart en den Heere. Ofschoon het onuitsprekelijk is, zoo is het echter ondervindelijk. Daar liggen al de gronden van vertroosting in. Als God iemand Geest geeft, dan wordt het oogmerk Gods voldaan (bereikt.)

De verzoening des zondaars met God door den dood des Zoons hebben wij gezien in het 21 vers van dit Capittel, en het einde van die verzoening, op het 22 vers, „ Opdat hij u zoude heilig, en onberispelijk, en onbeschuldelijk voor Hem stellen door den dood des Zoons Gods. Wij hebben dat stuk toen ter tijd verhandeld. Toen zagen wij daarop, dat er Vromen waren, die zeiden, dat er gemeenschap der heiligen moest geoefend worden. Ik zeide dat ik daar niet tegen was; maar dat al die bezoekjes der Vromen voor geene gemeenschap der heiligen konden gerekend worden. Dat late God verre van mij zijn! Waarom wij ook toen tot de Gemeente van de oefeningen veel gezegd hebben. — Daar waren zeer vele oefeningen, zeiden wij; doch zullen de gemeenschap der heiligen en de oefeningen uèl gehouden worden, dan moeten zij eerst geoefend worden met het Goddelijk Wezen. Toen toonden wij aan, 1°. dat er zulk eene conversatie was, van vrome harten met het Goddelijk Wezen. 2°. Toonden wij, dat er eene was, met den Eersten Goddelijken Persoon in dat Wezen. 3°. Dat er zulk eene conversatie was met den Tweeden Persoon , den Middelaar. — Nu zouden wij heden, naar de bekwaamheid, die God ons geven roogt, zeggen; dat er eene conversatie of omgang is van den

Sluiten