Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verloopen vijf-en-twintig jaren zeggen, dat de Heer haar herder was, die haar trouwelijk had geleid, verzorgd, beschermd en tot hiertoe gebracht. Ook zij kon spreken van donkere dagen, gelijk de dichter spreekt van een dal der schaduwen des doods, maar tevens van 'sHeeren hulp, in die dagen ondervonden. Ook zij kon zeggen: Gij richt de tafel toe tegenover mijne wederpartijders, want trots allen tegenstand, was zij toegenomen in omvang en kracht en uitgebreidheid van werkzaamheden. Uit geringe beginselen gesproten, was zij van een takje een boom geworden. Dit had de Heer gedaan. Dit laatste gaf hem aanleiding om een kort overzicht te geven van het ontstaan der Vereeniging in het jaar 1847, terwijl hij tevens opgaf wanneer de verschillende takken ontstaan waren, die zij thans heeft. Met belangstelling werd het vernomen, wanneer Brei- en Naaischolen, Zondagscholen, Kinder- en Jorigeliedengenootschap en al het overige waren opgericht. Voor velen, die toch later als leden waren toegetreden , was dit eene geheel nieuwe zaak. Green wonder, dat onder dit spreken aller hart met dank en bewondering van Gods goedertierenheid werd vervuld, en men zich onwillekeurig gestemd voelde, om zijn hart aan te sluiten bij het zoo gepast als krachtig gebed, dat door Br. j. h. den ouden jr. op verzoek van den President werd uitgesproken; een gebed, waarin hij de Vereeniging in het algemeen, en deze Feestviering in het bijzonder aan den Heer opdroeg, die niet beschaamd maakt allen, die op Hem hopen.

Hierop zong de Vergadering Psalm 133 v. 1 en 3. Nadat de President nog eene en andere aanmerking in het midden had gebracht, herinnerde hij de aanwezigen aan de bepalingen, door de Begelings-commissie gemaakt, betreffende de waarde van het diploma, alleen voor den bezitter. Ook herinnerde hij, dat men geen werkend lid kon wezen, zonder tegelijk werkelijk lid te zijn, hetgene in den laatsten tijd weieens uit het oog was verloren. De schare ging uiteen, vol verwachting van hetgene in de volgende dagen zou geschieden, terwijl velen, en niet het allerminst de Bestuursleden, de bede in het hart hadden: "Bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja het werk onzer handen, bevestig dat!" (Ps. 90).

Sluiten