Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te mogen ondervinden. Dit is van den Heer. Ook de President heeft dit weêr gezien, daar hem door de vroeger genoemde Commissie uit de leden der Vereeniging nog een stoel voor zijn studeerkamer is aangeboden, hetgeen hem tot nieuwen dank stemt.

Op de feestviering in de Hersteld Luthersche kerk vestigde de President vervolgens het oog. De feestviering heeft geleerd wat den kinderen wordt onderwezen. Weemoedig was daarbij echter de gedachte hoe bij een vroeger jaarfeest in die kerk de broeders krot, sielof, steyling, van wees en anderen tegenwoordig waren. Dit gaf den President aanleiding om, na nog eens op de getrouwe broeders gewezen te hebben, door welke hij omringd is, een brief van deelneming in onze feestviering en gelukwensching er mede voor te lezen, gezonden door het vroeger zoo werkzaam lid, thans eerelid des Bestuurs, Br. datjbanton uit Lausanne. Dit hartelijk schrijven ging vergezeld van de volgende treffende dichtregelen:

Broeders! Zusters! viert nu feest Met een blijden dankbreu geest,

Zingt verhengd den Lof des Heeren; Brengt Hem met bazuingeklank Voor Zijn Liefde en Trouw uw dank;

Laat uw Psalmgezang Hem eeren.

Immers vijfentwintig jaar

Wilde de Opperzegenaar Uwe schoone Stichting sparen;

't Mostaardzaadje, door uw band

In 't geloof in de aard geplant, Werd een boom met tak en blaren.

Klein was uw Vereeniging, Toen een twaalftal bij 't begin

't Godlijk Woord der jeugd verkondde; Welk een wasdom gaf de Heen 't Loflied ruischt thans tot Zijn eer

Uit veel duizend kindermonden.

Jeugd en ouderdom te saam Hoorden van den eengen Naam

Ons ter zaligheid gegeven. Wien gehoor en stem ontbrak Was 't de vingertaai die sprak,

Van den weg ten eeuwgen leven.

Zieken, aan bun bed gekluisterd, Hebben naar den troost geluisterd

Van bezoekers in hun leed; En waar deze stemmen zwegen, Klonk 't hun nit uw boeken tegen,

Wat eens jezds voor hen deed.

Wat al spruiten van haar Stam

In en buiten Amsterdam Mocht zij reeds het aanzijn geven;

In geheel ons Vaderland

Zijn haar loten voortgeplant, Die reeds hoop op vrachten geven.

Zelfs aan Java's zonnig strand, Is de Waarheidsvaan geplant,

Onder blinde heidenvolken, En het Java-Comité Zendt naar de overzij der zee

Zijne Evangelietolken.

Voor zoo menig knaap en maagd Werd aan haar om hulp gevraagd;

Nattig handwerk deed zij leeren. Hem, die op de onschuld loert, En den dood in de armen voert

Tracht zij door 'l Te Huis te weeren.

Drukte de armoe 't huisgezin, I Dorcas-Zustren traden in,

Om het lijden te verzachten, 't Warme kleed, en 't voedzaam brood, 't Woord van God tot troost in nood,

Was 't, wat zij den armen brachten.

Dat hebt ge al met God gedaan.

Broeders, Zusters, voortgegaan! God, de onpeilbre Liefdebron,

Steune verder al uw pogen

Met Zijn zegen uit den hoogen: | Wenscht uw Broeder daubanton .

Daarop zong de vergadering het lied: "Haleluja".

Sluiten