Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

harer conc'eptiën en in al den rijkdom van den zegen dien ze brengt." •.

Doch genoeg citaat en te over reeds, M. H., om ook in uzelven de besliste overtuiging te doen spreken, dat het rechtstreeksch verband tusschen het Sociale vraagstuk en de Christelijke Religie eenvoudig onloochenbaar is. Zelfs bekruipt ons zekere schaamte, dat die overtuiging dusver niet luider in ons sprak, of althans ons niet eer tot daden prikkelde. Het wordt ons tot schuld en het stemt ons tot verootmoediging, dat, waar zoo schreiende nood openbaar werd, we niet reeds voorlang in den naam van Jezus zijn opgetreden. En het is in dien geest van zelfaanklacht, en allerminst in een toon van hoogheid, dat ik uw verwijtende wedervraag versta, of zoo in het oog springende waarheid in een kring als hier samenkwam dan nog betoog behoeft, en of, waar we staan voor zoo ontzaglijken nood der tijden, die op elk punt van den omtrek met het wezen zelf van dwaling en zonde samenhangt, ons oog zich zou mogen, ja, zou kunnen afwenden van Christus Consolator, die immers ook tot onze fel bewogen eeuw in goddelijke ontferming roepen blijft: „Kom tot my, gij, rijkste eeuw, die ooit aanbrak, maar die zoo doodelijk vermoeid en beladen zijt, en ik zal u ruste geven."

Aan het bestaan van dat verband verspil ik derhalve geen woord meer.Veeleer is de erkenning hiervan de onderstelling, waarvan dit Congres uitgaat. Maar wat ge op dit oogenblik wel van mij verwacht, en wat ik, met een beroep op uw welwillend oordeel, althans ga trachten u te leveren, is eene blootlegging van de vezelen, waardoor beide levensver- . schijnselen, eenerzijds de Christelijke Religie en anderzijds het Sociale vraagstuk, in elkander liggen gestrengeld. Aan de overtuiging, dat er zulk een verband bestaat, hebben we niet genoeg. , Het moet ook vorm en gestalte voor ons aannemen. Zoo alleen kan het spreken tot ons bewustzijn.

Daartoe nu ga ik uit van eene tegenstelling die duidelijk voor ons aller besef spreekt; ik bedoel de tegenstelling tusschen de natuur gelijk ze onafhankelijk van onzen wil bestaat, en onze menschelijke humt die op deze natuur inwerkt. Geheel het sociale vraagstuk toch wordt geborenuit het verband tusschen ons menschelijk leven en de stoffelijke wereld die ons omringt. Maar nu is er, zoowel .in dat menschelijk leven, als in die stoffelijke wereld éénerzijds een macht die buiten ons bereik ligt, en die we de natuur plegen te noemen, en anderzijds een macht die van 's measchen wil uitgaat, en die kortweg kan aangeduid als de kunst. We zijn met onze eigen menschélyke n'atuur in de natuur om ons heen geplaatstniet om die natuur te laten voor wat ze is, maar met een aandrift en roeping in ons, om door menschelijke* kunst op de natuur in te werken, haar te veredelen en te volmaken. Zoo legt zich de paardenstoeterij op

Sluiten