Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerlijkheid wees. Ten tweede door een georganiseerden Dienst der barmhartigheid, die in 's Heeren naam, als zijnde Hij de eenige Eigenaar van alle goed, in-zooverre gemeenschap van goederen vroeg, als in den kring der geloovigen geen man of vrouw die gebrek leed, of zijn naaktheid niet kon dekken, meer mocht geduld. En ten derde door tegenover het verschil van rang en stand de Gelijkheid der broederschap te stellen; alle zich vreemd houden aan zijn eigen vleesch af te snijden; en bij het Heilig Avondmaal rijken en armen aan éénzelfden heiligen Disch te vereenigen, ten symbool van de eenheid, die hen niet slechts als „kinderen der menschen", maar meer nog als onder ééne schuld bezwijkend en door éénzelfde offerande verlost, in Christus samenbond.

Feitelijk is dan ook, als rechtstreeksch gevolg van de verschijning van den Christus, en van het uitgaan van zijn kerk onder de volkeren, de menschehjke samenleving een merkbaar andere geworden, dan ze onder de. Heidensche bedeeling was. De toenmalige Eomeinsche maatschappij geleek treffend op wat Jezus eens noemde „een wit gepleisterd praalgraf, van buiten wel schoon schijnend, maar van binnen vol doodsbeenderen"; en dat witte praalgraf stortte in puin. En zonder nu te willen beweren, dat het nieuwe maatschappelijk gebouw, dat als vanzelf op dezen puinhoop verrees, ook maar eenigszins aan het door Jezus gekoesterde ideaal beantwoordde, mag toch dankbaar erkend, dat er draaglijker sociale toestanden geboren werden. Niet het aardsche goed woog langer het zwaarst in de publieke schatting; ook het eeuwige welzijn woog meê. De slavernij wierd in haar wortel geknakt en onderging een zedelijke critiek, die haar als instelling sloopte. Voor den arme en den wees begon men zorg te dragen. Het ophoopen van te groote kapitalen werd, ook door het verbod van . woeker, tegengegaan. Hoogere en lagere standen naderden elkander op voet van vrijer gemeenschap. En al werd de tegenstelling van overvloed en schaarschte niet uitgewischt, toch vloekte de overdadige weelde niet zoo sterk meer tegenover het nijpend gebrek. Wel was men nog nietwaar men wezen moest, maar toch was men op een beteren weg geraakt; en zoo de kerk niet van haar eenvoud en haar hemelsch ideaal ware afgeweken, zou de invloed der Christelijke religie op de Staatsinrichting en op de maatschappelijke verhoudingen eerlang overheerschend zijn geworden. Daartoe echter ging de kerstening van Europa te snel en was de te assimileeren volkerengroep te massaal. De bekeering van Constantijn was voor de kerk het sein om te huwen met de wereldmacht, en hieimeê sneed ze de zenuw van haar kracht door. Vandaar toen allengs het weer insluipen van de wereld in de Kerk. In steê van discipelen, die zonder male of buidel uitgingen, rijk gedoteerde kerkprinsen, huizend in prachtige

Sluiten