Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar aan dit gezag dan ook de taak voorschrijven, öm patriarchaal de beweging der maatschappij te leiden. Een school, die in Rudolph Meyer, in Wagner, en ten deele in Laveleye, met zoovele anderen, haar bezielde tolken, en ten slotte in Von Bismarck haar gewenschten staatsman vond. Minder in een practisch program, dan in wetenschappelijk onderzoek ligt de kracht der Historische school, die de illusie bestrijdt, alsof de thans bestaande toestanden en rechtsverhoudingen een absoluut karakter zouden dragen, en alzoo de pubbeke opinie op wijziging van het bestaande voorbereidt en voor die wijziging de wet poogt op te sporen. Voeg hierbij, dat ook onder de minder doctrinaire Liberalisten almeer de neiging merkbaar wordt, om eenerzijds, conservatief, d. i. ter conserveering van het bestaande, de hoog noodige concessiën te doen; en anderzijds om in radicaler richting, door sterking van den politiekén invloed der lagere klasse, voor dexe klasse tot lotsverbetering en voor de bezittende klasse tot inkrimping van de haar zelve schadende privilegiën te geraken. Een korte opsomming, waaraan ik, om niet te onvolledig te zijn, ten slotte nog de groep der cynische Pessimisten toevoeg, die wel zien, dat er in het huis van onze moderne beschaving iets smeult, toegeven zelfs dat er brand is, en dat, wordt het vuur niet gestuit, de vlam eener alles vernielende revolutie straks laaie zal uitslaan, maar blusschen nu eenmaal voor onmogelijk verklaren; en u dies met stoïcynsche kalmte profeteeren, dat, gehjk eens de Oostersche, en daarna de Romeinsch-Grieksche beschaving, zoo ook onze moderne volkerenbeschaving bestemd is, om in de Nirvana onder te gaan.

Vergis ik mij niet, M. H., dan heeft reeds deze vluchtige schets mij tot mijn doel geleid, en liggen thans metterdaad duidelijk de vezelen bloot, waardoor de Christelijke religie met het Sociale vraagstuk moet saamgestrengeld. Mij rest daarom in het laatste deel mijner toespraak niet anders, dan dat ik die vezelen één voor één oplicht, en u doe zien, welke richting ze aan onze studiën hebben te geven en welke richting aan onze practijk. Vooraf echter zij nog ééne bedenking uit den weg geruimd, die, bleef ze staan, allicht de kracht van mijn betoog breken zou, de bedenking namelijk, hoe ik de Sociaal-democratie een vrucht der Fransche Revolutie kon noemen, en toGh tegelijk kon beweren, dat ze tegen het beginsel der Fransche Revolutie gekant is. Immers die schijnbare tegenstrijdigheid spruit hieruit voort, dat het individualistische karakter der Fransche Revolutie slechts een afgeleid beginsel, niet het worfe/beginsel is, waaraan ze haar

Sluiten