Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het hun, zulke misstanden met een beroep op Jezus woord : de armen hebt ge altijd bij u, verdedigen willen, dan teeken ik voor de eere van Gods heilig Woord tegen zulk een misbruik van de Schrift protest aan; en verzoek wie zoo oordeelt, eerst in diezelfde Schrift eens na te speuren, hoe bijna weelderig, vergeleken bij den jammer waarin ons proletariaat verzonken ligt, de toestand van den- arme in Israël was.

Vraagt ge mij dan ook, of er dan nog meer moet gegeven, dan antwoord ik zonder aarzeling: Zeer gewisselijk, maar dan haast ik er bij te voegen: Een barmhartigheid die alleen geld en niet ook xich zeiven weet te geven, is nog de Christelijke liefde niet; en dan eerst zult ge vrij uitgaan, zoo ge ook uw tijd, uw kracht, en de sympathie uwer vindingrijkheid er voor ten beste geeft, om aan zulke misstanden voor goed een einde te helpen maken, en, niets van wat er in de schatkamer uwer Christelijke Eeligie verscholen ligt, onaangewend laat tegen den kanker die de levenskracht onzer maatschappij op zoo verontrustende wijze verwoest. Want, ja, de stoffelijlce nood «8 ontzettend, groot de verdrukking, en ge eert Gods Woord niet, zoo ge daarbij ooit vergeet hoe, én de Christus, én zoo na hem zijn Apostelen, als voor hem zijn Profeten, het- onveranderlijk tegen wat machtig en weelderig was voor den lijdende en den verdrukte opnamen. Maar nóg grooter, nóg ontzettender is de geestelijke nood van ons geslacht; want als ik te midden van onzen maatschappelijken jammer de demoralisatie gadesla, die achter dien nood aankomt, en dan nog een rauwe stem hoor opgaan, die, in plaats van den Vader in de hemelen om redding aan te roepen, God vloekt, spot met zyn Woord, het kruis van Golgotha hoont, en vertrapt wat er nog in de consciëntie getuigde, om, als in razernij, al wat er wilds en dierhjks in ons menschelijk hart schuilt, in vlam te zetten; dan, M. H., sta ik voor een bajert van geestelijke ellende, die schier in nog sterker mate, dan het nijpendst gebrek, mijn menschehjke deernis gaande maakt.

Immers ook van die geestelijke ellende gaat een geroep van aanklacht tegen ons, Christenen, uit. Of wierden niet bijna allen, die nu zoo razen, eens gedoopt? En wat is na dien doop aan die duizenden ten koste gelegd, om voor het spotbeeld van de Christelijke religie, waartegen ze nu hun vloek uitstooten, hen iets, iets ook maar, te doen verstaan van de wezenlijke liefde Gods die in Christus. Jezus is ? Wat is er door ons, Christenen in Nederland, uitgericht, om, toen het gif der Fransche Revolutie ongemerkt voortsloop in de aderen van het maatschappelijk lichaam, die vergiftiging van het sociale levensbloed te stuiten ? Ja, wat is er gedaan, om, toen dan het kwaad ten leste naar buiten uitsloeg, en de sociale krankheid een epidemisch karakter aannam, ook onzerzijds artsenij en

Sluiten