Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

balsem aan te dragen voor haar genezing? Nu pas onze eerste zwakke poging, om in Sociaal Congres den doodsnood der maatschappij onder de oogen te zien, waar reeds voor twintig en voor dertig jaren onze Christelijke denkers zich hadden moeten opmaken, om met iets van den ernst en met iets van den wetenschappelijken zin van een Marlo en Schaefflc de diepte van dezen noodstand te peilen.

Er is zooveel schade in te halen, M. H. Bezie slechts de problemen, waarop het hier aankomt.

Voorop gaat daarbij het probleem van de majesteit onzes Gods; want, al kom ik straks ook op concrete maatregelen, toch moet eerst gehandeld van die algemeene denkbeelden, die geheel onze voorstelling van het leven vorm en tint geven. Noch plant noch dier zijn we; mensch te zijn is onze eeretitel; en, omdat we- mensch zijn, leven we allereerst uit ons bewustzijn, en wordt ons gevoel van geluk of ongeluk zoo veelszins door onze beseffen, onze voorstellingen, onze algemeene denkbeelden beheerscht. Daarom blijve het eerste artikel van elk sociaal program, dat redding zal aanbrengen: Ik geloof in God Almachtig, Schepper des hemels en der aarde. Dat artikel wordt thans gestreken. Van geen God wil men in de staatkunde meer weten. Niet alsof men de poëzié der religie niet bekoorlijk vond; maar omdat wie zegt: Ik geloof in God, daarmeê ook erkent, dat er een ordening Gods over de natuur bestaat, en een ordinantie Gods over onze consciëntie; een hoogere wil, waaraan we als .schepselen ons te onderwerpen hebben. Het moet thans alles vrije menschehjke kunstschepping worden. Men zal het sociaal gebouw geheel naar gril en willekeur optrekken. En daarom moet God weg, om alzoo, door geen natuurlijken band meer belemmerd, elke zedelijke ordinantie in haar tegendeel te kunnen omzetten en elk fundament der menschehjke samenleving te kunnen ondermijnen. Ligt hierin nu voor ons niet de vingerwijzing, dat wij, als Christenen, juist in de sociale quaestie zoo sterk mogelijk nadruk op de majesteit van Gods gezag en de absolute geldigheid van zijne ordinantiën hebben te leggen, om, bij alle afkeuring van het vermolmd gebouw, waarin we thans maatschappelijk samenleven, toch nooit een ander te helpen optrekken, dan zulk een, dat rasten blijft op het door God gelegde fundament.

Even beslist hebben we, in de tweede plaats, als Christenen, partij te kiezen in het geding tusschen Staat en Maatschappij. Wie met den sociaal-democraat den Staat in de Maatschappij laat opgaan, loochent daarmeê het van Godswege" ingestelde gezag, dat strekken moet, om zijn hoogheid cn zijn recht te handhaven. En wie omgekeerd, op de hjn der Staats-socialisten, de maatschappij doet opgaan in den Staat, draagt wie-

Sluiten