Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begrip van eigendom absoluut is, terwijl de ander alle bijzonder eigendom in gemeenschappelijk bezit wil doen overgaan, dan heeft de man, die bij Gods Woord leeft, hier de eeriig ware theorie die God ons in zijn ordinantiën gaf tegenover te plaatsen, en in zijn naam te getuigen, dat er van absoluut eigendom alleen bij -God zeiven sprake kan zijn; dat al óns eigendom slechts leenbruik, al óns beheer- slechts rentmeesterschap is; en dat alzoo eenerzijds niemand dan de Heere, onze God, ons van de verantwoordelijkheid over dat beheer ontslaan kan, maar ook dat ge nooit een ander beheersrecht van Godswege kunt hebben, dan in verband met den organischen samenhang der menschheid, en dus ook met den organischen samenhang van haar goed. AVat de Sociaal-democraat „gemeenschap van goederen" noemt, heeft dan. ook noch in Israël noch in de eerste Christengemeente ooit bestaan. Zulk een absolute gemeenschap is veeleer allerwege in de H. Schrift buitengesloten; maar buitengesloten is even stellig in dat Woord elke inbeelding van een eigendomsrecht, krachtens hetwelk ge absoluut, en alsof ge er God over waart, zonder rekening te houden met anderer nooden, over uw goed zöudt beschikken.

Is al verder, niet enkel door den Collectivist, maar ook door ae mannen der Landnationalisatie, een afzonderhjk geschilpunt gemaakt van het vraagstuk van den Bodem, dan voegt het ons ook hier als Christenen niet, om öf al zulk denkbeeld laatdunkend te belachen, öf, als gaf Gods Woord ons ook hier geen leiddraad, over zoo netehg vraagstuk de schouders op te halen. Reeds om onze consciëntie niet: want als we hooren, hoe in Schotland drievierden van het landbezit in de hand van veertien personen is, en hoe hog onlangs een dier veertien, die een nieuwe landstreek, door 48 gezinnen bewoond, aankocht, er die bijna driehonderd personen eenvoudig van afjoeg, om het terrein voor zijn wildstand uit te breiden, dan zegt toch reeds een stem in uw binnenste u, dat zulk een beschikking over het land, waaruit het brood voor den eter'moet groeien, in beginsel niet goed Jcan zijn, en dat landbezit en los bezit over éénzelfde kam te scheeren, moet indruischeh tegen de ordinantiën Gods. In 's Heeren wetgeving voor Israël vindt ge voor het landbezit dan ook wel terdege een geheel afzonderlijke regeling. De vruchtbare akker is door God aan heel het volk gegeven, opdat alle stam in Israël er op wonen en er van leven zou; en elke agrarische regehng, die met deze stellige ordinantie niet rekent, verderft „land en luijden".

O, het is zoo diep onwaar, dat Gods Woord ons alleen roepstemmen zou doen hooren voor de redding onzer ziel; neen, ook voor ons volksbestaan, ook voor ons maatschappelijk samenleven, stelt Gods Woord ons wel terdege vaste ordinantiën, trekt het zeer duidelijk zichtbare lijnen,

Sluiten