Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van deze uitnemende dingen ontdekt of ondervonden heeft. Dit weet de Apostel en daarom bedient hij neb ook slechts van een kort woord, om al deze zaken der Gemeente zoo overbekend uit te drukken. De dingen, zoo zegt hij, die boven zijn, waar Christus is, zittende ter regterhand Gods.

Hij stelt die hemelsche dingen, tegenover de dingen die op aarde zijn. Het is van belang, dat wij ook deze uitdrukking wel verstaan. Er zijn vele hemelsche dingen, die tegelijker tijd Oö aarde zijn. Christus zelf, ofschoon in dén hemel gezeten, is nogtans door Zijnen Geest tevens op aarde, wonende] in Zijne Gemeente, die op aarde is. De bekeering van eenen zondaar, de vertroosting Zijner geloovigén, de gemeenschap der heiligen, de leidingen Zijner kerk en van Zijn volk Israël — alle deze dingen geschieden op de aarde en gaan nogtans regtstréeks van Christus uit, die ter regterhand Gods gezeten is. Zij zijn dus, dingen die op aarde zijn, maar zij zijn hemelsche dingen op aarde. Hierop heeft de Apostel het oog niet j wanneer hij zegt: Bedenkt niet de dingen die op aarde zijn. Even zoo zal ook in de toekomst, de aarde het tooneel zijn , van de heerlijkheid Christi, wanneer dan door Hem de zachtmoedigen het aardrijk zullen beërven (Matlh. 5 vs. 4), en Zijne verlosten met Hem zullen heerschen op aarde (Openb. 5 vs. 10). Gij ziet dus dat er en thans en in de toekomst vele dingen op aarde zijn, en zijn zullen, die juist door de geloovigén, mogen en moeten bedacht worden, omdat zij, alhoewel op aarde plaats Vindende, nogtans hemelsche dingen zijn, waarvan Christus het middelpunt is. Wanneer dus de Apostel zegt: Bedenkt niet de dingen die op de aarde zijn, zoo heeft hij hiermede het oog op die aardsche dingen, welke uitsluitend tot deze vergankelijke en verderfelijke aardsche schepping behooren; die dingen namelijk, die in geen eeuwig verband staan met Christus, maar hun wortel en wezen vinden in Adam, in den geest dezer eeuw, in de tijdelijke dingen, die met de wederkomst van Christus hunne waarde en heerlijkheid verliezen zullen. De Apostel bedoelt dus dit tegenwoordige, van God afgescheidene, buiten Christus omgaande, wereldsche, stoffelijke, vleeschelijke leven, met zijne vergankelijke heerlijkheid en verderfelijke schatten ; voorts, de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches en grootschheid des levens. Daarvan zegt de Apostel, dat de geloovigén die dingen niet bedenken, dat zij ze niet zoeken zullen.

Intusschen ook dat bedenken moet wel verstaan worden. Menig kwalijk onderrigt Bijbellezer waant dat de Apostel de geloovigén verbiedt aan de dingen die op aarde zijn te denken, en zij merken niet op, dat er een groot onderscheid bestaat tus-

Sluiten