Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus den mensch niet tot eenen slechten maar juist tot eeuen goeden, ijverigen en getrouwen arbeider maakt.

Neen de Apostel spreekt hier van het Aedenken, een woord dat in de Schrift dikwijls voorkomt, en niet zoo zeer het werktuigelijk denken van ons verstand maar meer het innerlijk overleggen , gevoelen en streven van ons hart beduidt. Dit blijkt uit het verband, waarin dit woord op andere plaatsen der Schrift voorkomt, en waar onze overzetters het dikwijls door geheel andere woorden dan denken of bedenken vertaald hebben, zooals wijs zijn (Rom. 12 vs. 5), gezind zijn (1 Cor. 13 vs. 11), naar iels trachten (Rom. 12 vs. 16), iets waarnemen (Rom. 14 vs. 6), iets gevoelen (Philip. 2 vs. 5). Uit dit alles blijkt dus, dat het woord door bedenken vertaald, het gansche streven en leven van ons innerlijke bestaan omvat. De Apostel zegt met andere woorden: ofschoon gij op aarde zijt en in de dingen der aarde leven en werken moet, en ofschoon gij uwe gedachten daarbij moet bepalen om getrouwe arbeiders te kunnen zijn, zoo stelt uw hart, uw wenschen en begeeren, uw hopen en verwachten niet op deze vergankelijke dingen, maar laat het onder al dit aardsche werk de verwachting der hemelsche dingen zijn, die uw hart verkwikt, uwen ijver aanspoort, uw werk bezielt. Dat iets dergelijks mogelijk is, kan in zekeren zin de natuurlijke mensch reeds beseffen. Hij weet zoo goed als wij, dat een mensch van God deze wonderlijke gave heeft ontvangen, van onder alle werken, denken en spreken, door iets te kunnen bezield en gedreven zijn, dat bestendig de hoofdzaak en de schat van zijn hart is. Zoo leeft de bruid in het hart van den bruidegom, de zuigeling in het hart der moeder, het geld in het hart van den gierigaard. Door dezen alles te boven gaanden schat worden zij gedragen en gedreven, zelfs terwijl zij met de gedachten huns verstands zich bij geheel andere voorwerpen moeten bepalen. Dit is vooral het geval wanneer er eene zekere heugelijke zaak of gebeurtenis in het verschiet is, die men met zekerheid verwachten kan. Dan kan het hart van eenen mensch zoo vol zijn, dat hij er vrolijk door is, zelfs terwijl hij bezig is met het moeijelijkste, lastigste, verdrietigste of zelfs vernederendste werk te verrigten. Dat is het, wat de Apostel door bedenken verstaat, en zoo begeert hij dat zijne geloovigén de dingen bedenken die daar boven zijn, schoon zij niet boven wonen; en dat zij niet bedenken de dingen die op aarde zijn, schoon zij op de aarde leven moeten. Het is dus slechts de groote vraag of het hart van deze hemelsche dingen vol is. Is dit niet het geval, dan is des Apostels vermaning onuitvoerbaar. Maar waar dit wel plaats heeft, daar is des Apostels vermaning juist welkom. De natuurlijke mensch nu heeft het hart vol van

Sluiten