Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoorde; daarom hebt gij u verbeterd; gij hebt een orderlijker, zedelijker en betamelijker leven aangevangen; gij hebt het heidendom en jodendom met zijne ongeregeldheden en doode werken laten varen, en hebt u op de meer redelijke dienst van den eenigen God in alle deugd en eerbaarheid toegelegd. Dit is als het ware eene opstanding te noemen. Gijlieden hebt als het ware een nieuw leven aangevangen, even alsof gij uit het graf opgestaan waart.» Indien wij des Apostels uitspraak op die wijze moeten opvatten, dan zoude de gansche zaak, die hij eene opwekking noemt, niet veel anders zijn dan eene zedelijke verbetering, die ten gevolge van eenige betere gedachten en voornemens, in hen ontstaan waren» Doch dat deze opvatting van onzen tekst veel te flaauw en geheel en al onschriftuurlijk is, zullen wij door een nader onderzoek spoedig inzien. Wij moeten daartoe een weinig dieper indringen in de leer van den Apostel Paulus aangaande de opstanding van Christus, en de betrekking tusschen Hem en Zijne Gemeente.

De Apostel spreekt van eenen Persoon, namelijk: Jezus Christus. Van Dezen zegt hij, dat Hij is opgewekt; en wij weten dat die opwekking ten minste niet louter eene zedelijke verbetering, eene verandering van begrippen en voornemens geweest is, maar dat zij in al de werkelijkheid der natuur, op den morgen van den eersten dag der Paaschweek als een geschiedkundig feit hier op aarde heeft plaats gevonden. De Persoon van Jezus van Nazareth evenals wij, in een verderfelijk ligchaam omwandelende, is met dat ligchaam begraven geworden en ten derden dage met een onverderfelijk ligchaam uit het graf opgestaan, en daarmede in heerlijkheid opgevaren ten hemel. Dat is de opwekking van Jezus Christus uit den dooden, waarvan de Apostel hier spreekt. Wanneer hij nu voorts zegt dat de christenen te Colossé met Hem opgewekt zijn, zoo voegt hij er een woord bij dat onze opmerkzaamheid hier ter plaatse bijzonder vereischt, namelijk: door het geloof der werkingen Gods (Col. 2 vs. 12). De Christenen te Colossé hebben met hun hart geloofd, dat God den Heere Jezus Christus uit den dooden opgewekt heeft, en, wat hierbij van zelf spreekt, door dat geloof is Hij hnn geworden tot een Heere en Christus aan wien zij zich overgegeven hebben, op wiens woord en beloften zij steunen, dien zij als hunnen Verlosser Uit alle zonden en dood aanhangen, en van wien zij in dankbare blijdschap de eeuwige zaligheid verwachten. Wanneer nu een zondaar, die zich zeiven verloren acht, door het geloof den Heere Jezus Christus met zijn hart opneemt, dan vindt er in dat hart eené verwonderlijke zaak plaats, die in de Schrift als het grootste wonder van God verheerlijkt wordt. Het is de wedergeboorte van een nieuw schepsel, geschapen in Christus Jezus.

Sluiten