Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

u toeroept, dat ook gij zulk eene sprake spreken moest, ach! overschreeuw haar dan niet door het geroep .* zij zijn vol zoeten wijns! maar sta eens stil en word ontzet en twijfelmoedig en vraag in uw verslagen harte: wat wil dit toch zijn? Ja vraag, met bezorgdheid over uwe ziel: Mannen broeders! wat moet ik doen om zalig te worden? Dan zult gij 't vernemen, dat er nog heden eene kudde Gods is, in wier midden de H. Geest woont, en binnen wier stalling ook gij behoudenis vinden kunt, zoo gij slechts door de Deur wilt ingaan.

K

Ik vestig uwe aandacht op eene tweede bijzonderheid, die ons in het eerste werk van den H. Geest in de gemeente Gods treft. Hij doet zijn verheven werk door de vrijmaking van de krachten der geloovigen.

Wie is de man, die daar aan het hoofd der twaalve, in Kanaans hoofdstad, voor zulk eene aanzienlijke schare, als daar is zamengevloeid, durft optreden? Het is die eenvoudige visscher, dien gij nog kortelings aan het strand van Kapernaum neergezeten zaagt, vermakende zijne netten. Het is die van onkunde en vooroordeelen hevangene Israëliet, die nog z«er onlangs de eenvoudigste woorden van zijnen grooten Meester niet verstond. Nog meer, het is diezelfde beangste en bloohartige man, die nog geeue acht weken geleden, ijlings en sidderend achter eenen driewerf herhaalden meineed schuil ging, om den vorschenden blik eener deurwachteres te kannen ontvlugten. En waarom was het, dat hij toen aan alle zijne leden beefde, en zich zeiven vervloekte met dure eeden? Omdat hij als des doods werd, bij de gedachte van door de regters, die toen ter vierschaar zaten en door de menigte, die daar riep: kruist Heml voor een volgeling van den Nazarener gehouden te worden. Om dit te ontgaan en om toch vooral niet voor een vriend des gedoemden aangezien te worden, opende hij zijne lippen tot vloek en meineed. Ach! toen zoudt gij gewis gezegd hebben, dat eerder hemel en aarde vergaan zoude, dan dat deze man zou opstaan voor het aangezigt des volks, om de zaligheid in Jezus den gekruiste te verkondigen. En gewis, gij zoudt dat met regt beweerd hebben, indien hij in zijne toenmalige krachten daartoe geroepen geworden ware. Maar wat was er thans ook niet met hem geschied! De Hemel had zich boven zijn hoofd geopend, en stroomen van goddelijke kracht waren in hem neergedaald. En gelijk een wel bezaaide akker, die langen tijd onder het winterkleed te sluimeren gelegen heeft, eensklaps in den vollen dos der lente* ontwaakt, zoodra de vroe-

Sluiten