Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niemand was dit aanstootelijker, dan voor die Christenen, die uit het Jodendom tot het Christendom overgegaan, nog altijd eene bijzondere gehechtheid aan de voorvaderlijke inzettingen der wet behielden. Voor dezen was het regel- en teugellooze leven dier over geloof en genade zwetsende vrijheidschreeuwers een gruwel, en hieruit laat het zich verklaren, dat inzonderheid in de gemeente te Jeruzalem, die als JoodschChristelijke gemeente meer dan andere op eenen wettischen bodem stond, de leer van Paulus in zware verdenking kwam. (Hand. XXI: üO—24).

Jakobus, opziener der Jeruzalemsche gemeente, gevoelde zich door een en ander bewogen, om in den H. Geest de schrijfstift aan te grijpen en niet tegen de leer der genade, maar tegen hare valsche toepassing een woord Gods neder te stellen, tot bestraffing en bekeering der ongoddelijke roepers. Ook onze tekst behoort tot de spreuken, waarvan hij zich in zijnen hem eigenaardigen redeneertrant bedient, om de nutteloosheid van het dood geloof ten toon te stellen. Ik heb dien heden ten onderwerp onzer overdenking gekozen, omdat ik dezelfde ondervinding beleef, waarin alle predikers van de leer der genade hebben moeten deelen, namelijk dat door het misverstand van sommige hoorders en door het onverstand van vele belijders de leer der zaligheid, door het geloof, bij menigeen in eenen kwaden reuk komt. Wij wenscheu bekend te staan, als Christenen, die volharden in de leer der Apostelen, en niet alleen in die van den apostel Paulus, maar ook in die van Jakobus. Wij zouden ons bedroeven, indien men meende, dat wij alle geloof als voldoende tot zaligheid verklaarden, en geen onderscheid kenden tusschen een dood en een levend geloof. Wel is waar, er zijn- er ook in onze dagen, (en ach! dat zij onder onze bestendige hoorders niet gevonden werden!) die door hunnen wandel schijnen te toonen, dat zij dit onderscheid nooit van ons vernomen hebben. Doch juist daarom achten wij het des te meer nuttig, dat wij hen eens opzettelijk bij dit onderscheid bepalen, opdat zij, dat geve God! uit hunne verderfelijke zelfbegoocheling wakker geschud worden, en het nog heden vernemen, dat er ook een geloof is, waarvan de H. Geest vraagt: wat nuttigheid *s het? kan dat zaligmaken? Ja, ook voor de levenden onder ons zal bet nuttig zijn een oog te rigten op datgene, wat dood en onnut is, opdat zij zich naauw beproeven en leeren het overige, dat sterven zoude, te versterken. In drie opzigten wil ik heden het dood geloof met u beschouwen, namelijk in zijnen aard, zijnen oorsprong cn zijne gevolgen. De Geest, die alleen levend maakt, schenke ons daarbij zulke opmer-

Sluiten