Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geeft het antwoord op deze vraag; Hij wijst het kenmerk aan, waarbij het dood geloof van het zaligmakende is te onderscheiden- Dat dood geloof, zoo zegt hij, heeft de werken niet.

Wij naderen hier een onderwerp M. H. dat van uiterst teederen aard is, en waarbij men ligt gevaar loopt, misverstaan te worden. Ook onze Apostel is te allen tijde door ve len kwalijk begrepen geworden, sedert hij van een geloof gesproken heeft, dat de werken niet beeft. Men heeft deze uitdrukking dikwijls en gaarne in dien zin opgevat, alsof de Apostel dat geloof dood en onnut noemde, hetwelk de werken der ipe< niet heeft. «Wanneer iemand," zoo riep men, »die bVw#Prt een getosvige te zijn, de werken der wet niet heeft," en dus een afgodendienaar, of een dief, of een sabbath-schender, of een echtbreker is, met één woerd, wanneer zoo iemand zich aan de afwijkingen van eenen zedeloozen wandel schuldig maakt, dan is zijn geloof bewezen, onnut en tot zaligheid ontoereikend te zijn." «Daarentegen," zoo vervolgde men verder, »wanneer iemand, die beweert het geloof te hebben, tevens de werken der wet houdt, en dus eenen onberispelijken levenswandel voert, zoo is zijn geloof bewezen, een levend en zaligmakend geloof te zijn."' En wat zullen wij hierop zeggen, M. H? Zeker deze bewering heeft veel schijn van waarheid, en toch ligt er eene diepe onwaarheid in verscholen. Over het geheel en oppervlakkiglijk kan men aannemen, dat een bestendig onzedelijke wandel zeer ongunstig tegen het geloof eens menseben getuigt, en omgekeerd is het waar, dat het levend geloof er opregt en vurig naar streeft, om niet sjechts één, maar alle geboden Gods te vervullen. Maar het is ook eene hoogst gewigtige waarfieid, die niet genoeg kan herhaald worden, dat er menig zondaar is, die dagelijks de wet overtreedt, ja soms diep vallen kan, gelijk met David en Petrus geschied is, en evenwel het levend, zaligmakend geloof heeft; terwijl daarentegen menigeen den zuiversten levenswandel voeren kan en echter dc duidelijkste bewijzen draagt, dat het geloof, waarop hij zich beroemt, dood en onnut is. Ik moet hier de belangrijke opmerking in het midden brengen, dat de Apostel in onzen tekst niet van de werken der wet — maar van de werken des geloofs spreekt. »Wat nuttigheid is het" zoo is de bedoeling zijner ?raag, »of iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken des geloofs niet?" En de werken des geloofs sluiten zeker de werken der wet niet buiten; integendeel, zij nemen die in zich op. Maar de werken des geloofs omvatten buitendien nog oneindig veel meer, dan er ooit in eenige zedenwet, al bestaat zij ook uit duizend artikelen, kan beschreven worden.

Sluiten