Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ja, men neemt plaats in het gestoelte der ouderlingen en voor' gangers. Maar waartoe dit alles' Opdat men, met niet weinig welgevallen aan zich zeiven, de gronden ter zaligheid aanwijze, die men zich gevestigd heeft. Is er van Gods wege een eisch — welaan men heeft van zijne zijde zich gehaast, daaraan te voldoen, opdat de Hemelsche Regter niets te berispen vinde. Eischt Hij geloof — zie hier, men gelooft, men heeft gezorgd, dat het daaraan niet ontbreekt; alle stukken der leer worden zonder bedenken, toegestemd en beleden. Maar ach ! bij dit alles staat men daar, gelijk Simon, de Farizeër, zonder tranen des berouws, zonder kus der liefde, zonder zalve der aanbidding. Het verontrust, het bevlekt geweten, dat van afgodendienst en onreinheid beschuldigt, heeft het bekommerd hart opgejaagd om toch iets te doen, waardoor het zijne schuld vergoede — en zoo is men gaan gelooven, opdat men dit, als een daad van zich zeiven, Gode in rekening brenge. En zoo, door gelooven trachtende goed te maken, wat men dagelijks door zijne booze werken bederft, beijvert men zich des te zuiverder in de leer te zijn, naarmate men onzuiverder is in hart en wandel. Zoo hoopt men door de reinheid zijner begrippen, de onreinheid zijner beginselen te bedekken, en terwijl men aan Belial en de wereld zijn hart, zijn lust, zijn gansche werk schenkt, heeft men eene afzonderlijke gave, die men Gode ten offer brengen zal, namelijk — zijn geloof!

En dat zulk een geloof de werken niet heeft is geen wonder. Het is niet het geloof van den armen, verlorenen zondaar, wiens hart voor God gebroken is, die lief heeft omdat hem veel vergeven is; die God in zich werken laat, omdat hij zelf niet werken kan ; maar het is het geloof van den regtvaardige in zijne eigene oogen, die zich bekwaam genoeg rekent, om zich zeiven zoo geloovig te maken als hij wil ; die gelooft, niet uit behoefte maar uit pligt; niet om verlost te worden maar om zijne taak te vervullen. En zulk een geloof moge overvloedig zijn in de doode werken der wet, maar de werken des geloofs kent het niet, want het leeft niet in de liefde.

Bij velen ontspruit dat dood geloof uit ijdelheid. Er is aan het geloof een zekere roem verbonden. Een geloovige te zijn is iets, dat in zekere kringen of afdeelingen der Christenheid, en met regt, hoog geprezen wordt. Er zijn klassen of gezelschappen onder de belijders des Evangelies, waar men u belacht, wanneer gij er voor uitkomt, dat gij in Christus gelooft; maar er zijn er ook, waar gij met minachting of althans met medelijden aangezien wordt, wanneer gij als eenongeloovige bekend staat. Die minachting pijnigt u, lerifl gij daai>

Sluiten