Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

entegen den lof benijdt, welken zij genieten, die als geloovigen bij allen welkom en geacht zijn. Van jongs af misschien reeds in die kringen opgewassen, of door later aangeknoopte betrekkingen daarmede in aanraking gebragt, moet gij er dagelijks verschijnen. Of wel, gij hebt van nature eene zekere neiging tot het ernstige en godsdienstige; en de roem van als een vroom, geloovig mensch bekend te staan, komt u zeer begeerlijk voor. Met één woord, de eerzucht, die zich bij anderen op heldenglorie of kunstroem rigt, valt bij u bij voorkeur op het godsdienstige. Een opzettelijk huichelaar zijt gij juist niet, maar gij acht het toch om der eere wille niet ongeoorloofd, meer te vertoonen dan gij werkelijk zijt. Gij spreekt al vast als een geloovige, gij neemt bereids de gedaante der vroomheid en godzaligheid aan, hopende met ter tijd en jui3t door de rol, die gij speelt,1 allengs ook inwendig tot datgene te komen, wat gij gevoelt, dat u nog ontbreekt. Zoo oefent gij u in vrome gesprekken ; gij maakt u de tale Kanaans eigen ; gij drukt zelfs in sterke bewoordingen uw geloofsvertrouwen, uwe liefde, uwe blijdschap in God uit. Maar ach, terwijl men u in de vergadering der godsdienstigen prijst en u onder de bekeerden des Heeren rekent, getuigt uw wandel tegen u. In de dagelijksche kringen en betrekkingen der maatschappij, waar gij met uw tooneelspel geene eere, ja veel meer smaad behalen zoudt, vertoont gij u in de ware gedaante uws harten. En wat is ook natuurlijker? want niets is vermoeijender dan eene rol te spelen, die ons niet eigen is, en eer men er op bedacht is, heeft men zich reeds verraden, meenende niet bespied te worden. Het hart, dat niet waarlijk eerlijk voor God is en in zijne opregtheid voor Hem wandelt, kan niet anders dan dubbelzinnig in zijne woorden en ongestadig in zijne wegen zijn. En de werken, die daaruit voortkomen, mogen naar de zedenwet der maatschappij zelfs onberispelijk zijn, zij dragen nogtans de doodelijke bewijzen aan zich, van ontsproten te zijn aan een gemoed, dat niet waarlijk uit den dood verlost, van de zonde vrijgemaakt en met Christus overgezet is in den Hemel.

Eindelijk, het dood geloof ontspringt over het algemeen uit die onzalige gesteldheid des harten, waarvoor ik geenen anderen naam weet dan dien van ligtzinnigheid. Menschen, die in voorspoed leven, die nog weinig van de ellende en het verderf dezer wereld hebben ondervonden, en vooral jonge lieden, bij wie alle dingen meer een vrolijk aanzien hebben, behandelen de zaken des geloofs dikwijls als voorwerpen van smaak, als eene liefhebberij-studie, als eene mode. Het ligtzinnig hart beseft het niet, dat het bier de ontzaggelijkste fei-

Sluiten