Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat hiermede datgene tot stand gebragt is, wat God bedoelt, wanneer hij roept bekeert u tot Mij. Al deze dingen kan een mensch in groote ingenomenheid met zich zeiven, en tot welgevallen van zijne vrienden verrigten, zonder dat zijn hart zich nog in zijne ware gedaante voor God ontdekt heeft, zonder dat hij een goddelooze in zijne eigen oogcn geworden is. Er is een groot onderscheid tusschen eene bekeering tot zich zeiven, of eene bekeering tot de vromen en — eene bekeering tot den Heer. Deze laatste openbaart zich straks wel is waar in den uitwendigen wandel, maar zij begint in de binnenste binnenkamer des harten. Deze bekeering denkt in den aanvang niet aan de maatschappij, noch aan de vromen, maar zij denkt alleen aan God. Deze bekeering, zoekt God, God zelf, (ïod vóór alles, gelijk de drenkeling naar niets anders zich uitstrekt, dan naar de hand die hem toegestoken wordt.

En zulk eene bekeering is de wortel van overvloedige vruchten tot heerlijkheid Gods. Uit de verlossing wordt straks de innigste liefde tot God geboren. Gelijk geschreven staat: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst lief gehad heeft. En zulk eene liefde zoekt alle werk, dat God prijst voor het aangezigt der menschen, want zij is eene liefde in de daad en in de waarheid, omdat zij op God gerigt is, die zoo groote dingen aan de ziel gedaan heeft.

Tusschenzang : Ps. 95 vs. 1 en 4.

II.

Wij hebben de bekcering van den zondaar tot God, in « enige trekken beschouwd. Misschien heeft iemand uwer bij /.ichzelven gezegd: Wie kan dan zalig worden? En waarlijk Hij ontveinzen de zwarigheden niet, die zich legen haar in (i.'ii weg stellen; alleen wij voegen er bij, wat bij menschen ou nogelijk is, is niet onmogelijk bij God.

Laat ons eenige van deze zwarigheden onder de oogen nemen. In de eerste plaats zien wij dien groofen vijand van het heil des zondaars, namelijk den duivel, aan hel hoofd zijner helsche legerscharen. Nog is hij niet uit den Hemel geworpen, nog heeft hij als een overste onder de geesten groote magt en groote list. Hij zelf, even onbekeerlijk als onbekeerd, kent niets onvcrdragclijkcrs, dan de bekeering van eenen zondaar tot God, en daarom spant hij alle krachten in, om deze gezegende omwending te verhinderen. Zijne verschrikkingen zijn vele; vele zijn ook zijne verlokkingen. De

Sluiten