Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze ontfermende, schuldvergevende genade Gods heeft oudIsraël uitgedrukt gezien in de duizend offeranden van varren en stieren, welke eene voorafschaduwing waren van het groote, waarachtige en eeuwige zoenoffer op Golgotha geslagt. Dat God zich ontfermt en menigvuldiglijk vergeeft, kon Israël niet betwijfelen, want elke droppel, bloeds door den Hoogepriester over het volk gesprengd, riep het hun toe. Maar nog minder kan deze genade twijfelachtig zijn voor ons, die zooveel dierbaarder en heiliger bloed hebben zien vloeijen aan het hout des kruises. Dat groote feit verkondigt het luide dat het God opregt en ernstig gemeend is, den goddelooze de zonden te vergeven. Dat feit zegt het ons, dat God zelf door Zijne groote ontferming in de eischen Zijner wet en geregtigheid voorziet, opdat Hij goddeloozen kunne regtvaardigen, en vrijspreken degenen, die den dood verdiend hebben; ja, opdat Hij de overtreding zoo volkomen kunne uitwisschen, dat zij zelfs, om zoo te spreken, in Zijne Goddelijke herinnering niet meer bestaat, maar volkomen vergeten zij. alzoo, dat Hij harer niet meer gedenkt, en zij niet meer gevonden wordt als er naar gevraagd wordt.

Ziet, dat is bemoedigend, indien de goddelooze dit nu slechts gelooven wil. Ach! de vrees, dat God niet vergeven en den zondaar niet aannemen zal, is wel een van de grootste belemmeringen in het werk der bekeering. Wij weten immers, hoe dit zelfs onder ons menschen toegaat. Wanneer gij bij uwen schuldeischer zoo grof in het schuldboek staat, dat gij wanhoopt ooit te kunnen betalen, dan weert gij uwen voet van zijn huis, en durft hem niet onder de oogen komen. En niet eerder zult gij daartoe den moed hebben, dan wanneer gij weet, dat uwe schuld betaald en de bladzijde in het schuldboek doorgehaald is. Alzoo is het ook met den zondaar in betrekking tot God gesteld. Er is eene vreeze, een schrik voor God in het hart, en die vreeze is helaas maar al te zeer gegrond, want nooit heeft eenig schuldeischer zoo snoode schuldenaren gehad, als de hooge en heilige God in ons zondaren aanschouwt. Daarvan geeft de stem der waarheid in ons binnenste getuigenis; zij spelt ons oordeel en gerigte, wanneer wij voor den heiligen Regter verschijnen. Zal er dan ooit eene bekeering tot, en eene verzoening met God voor den zondaar mogelijk zijn, zoo moet deze* vreeze uit het hart weggenomen worden, opdat het vertrouwen daarvoor in de plaats kome. Doch hoe zal die vreeze weggenomen worden, anders dan daardoor, dat God van Zijne zijde verzekert: De schuld is vergeven, en dat de zondaar van zijne zijde, die verzekering aanneemt in den geloove.

In den geloove! Ja dit is de hefboom Gods, die de be-

Sluiten