Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vereenigd bij elkander. Op eenmaal vernamen zij een geluid, dat van den hemel* afdaalde en met elk oogenblik in hevigheid toenam. Het had in overeenkomst veel van het gesuis eens winds, die allengskens in kracht aangroeit. Het schijnt evenwel, dat dit verschijnsel niet werkelijk een wind of stormvlaag geweest is, daar de Evangelist alleen vermeldt, dat het geluid met dat van den wind overeen kwam. Het gansche huis werd er van vervuld en ongekende aandoeningen bemagtigden de Discipelen, die het hoorden. Zij verkeerden reeds sedert tien dagen in de meest gespannene verwachting op de Hemelsche gave — hoe moesten zij te moede zijn, toen zij het wonderbaar geluid uit den hoogen in hun midden hoorden nederdalen. De Wijdste hoop ontwaakte in hunne ziel. Doch er bleef hun geen oogenblik twijfel over, welke zaak hier geschiedde , toen zij een lichtstraal naar beneden .1 zagen schieten, die in verscheidene vlammen zich verdeelde, welke in de gedaante van vuurtongen, zich boven het hoofd, van een iegelijk hunner, plaatsten. Het was hun, als of op eenmaal een nevel van voor hunne ziel werd weggenomen. Eene ongekende verrukking bemagtigde zich hunner. Eene helderheid van geest, zoo als zij die nimmer te voren ontwaarden, ging op in hun binnenste. Als of plotseling een zware last van hunne schouders was afgewenteld, stonden zij als verjongd en vernieuwd op, terwijl eene namelooze blijdschap hun uit de oogen straalde; zij gevoelden zich geheel andere menschen dan vroeger. Het vefledene, het tegenwoordige en de toekomst waren als geheel veranderd voor hnnnen blik. Er klommen gedachten in hun hart op, wier heerlijkheid zij nog nooit ondervonden hadden. Er breidde zich een veld van eeuwige, Goddelijke waarheden voor hun geestes-oog uit, zoo als zij ze nooit te voren aanschouwd hadden. Dit alles was te veel, om het in hun binnenste te kunnen besluiten. Als Profeten Gods openden zij den mond, en stortten het gevoel, dat hen overstelpte, in volle stroomen der Profecyen uit. Maar wie beschrijft hunne verbazing, toen zij van hunne eigene lippen klanken vernamen, die aan de vreemde talen der wereld toebehoorden! Zij spraken, wat zij nooit gesproken of geleerd hadden — de groote werken Gods in de tongvallen der natiën en geslachten.

Het gerucht van dit ongehoord verschijnsel verspreidde zich als een loopend vuur onder de daar buiten wemelende menigte. Aanstonds was de gansche zaal vervuld van vreemdelingen, uit Oost en West zaamgevloeid, en daaronder menig Godvruchtig Israëliet uit verren lande, die met een opmerkzaam hart de teekenen des tijds gadesloeg. De Joden, die

Sluiten