Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een handdruk van hem ontvangt. Want zij zijn eeaerleï sprake, ofschoon de lippen ook zwijgen — zij zijn eenerlei sprake in hunne ziel, omdat een en dezelfde geest in hen woont. Het Koningrijk der Hemelen is volstrekt het omgekeerde van Babel. Babel was een rijk, door de menschen gebouwd, op uren afstands zigtbaar; maar vol verwarring en tweespalt. Het Koningrijk der Hemelen is door den Heere gebouwd, onzigtbaar van nabij en van verre, door wallen noch muren omringd, onder allerlei natiën verspreid; maar het is een rijk der liefde en der gemeenschap des H. Geestes.

En daarom is dat gezegende Koningrijk ook lot ons gekomen, die een land bewonen, hetwelk door bergen en zeeën van het oude Kanaan gescheiden is, en wier voorvaderen weleer heidenen waren, vervreemd van het burgerschap lsraëls, levende zonder God in de wereld. Maar hel heeft den God aller barmhartigheid behaagd, dat, ter plaatse waar vroeger gezegd werd, gij zijt mijn volk niet, thans gezegd zou worden: gij zijt mijn volk, gij zijt kinderen des levenden Gods. (Hosea 1, vs. 10.) Deze groote en getrouwe belofte van God is met den eersten Pinksterdag in vervulling gekomen, en zij wordt nog eiken dag onder ons vervuld. Want God heeft van die» dag af, het rijsken uit den afgehouwen tronk Isaï laten voortranken onder de Heidenen, en ook in ons midden, waar het, dat geve God, meer en meer opschiete tot eenen boom, die lommer geeft en vruchten draagt.

III.

Zullen wij nu ten slotte den indruk aangeven, dien de feestelijke beschouwing dezer gebeurtenis op ons behoort te maken, zoo bepalen wij ons tot de volgende opmerkingen:

1. De Pinksterdag roept ons tot het bedenken des Geestes (Bom, 8, vs. 6), want dat is het leven en de vrede. Zoo als wij van nature uit Adam geboren zijn en opwassen, bedenken wij het vleesch, en dat is de dood. Wij kunnen echter ons zeiven den Geest niet geven; maar juist daarom heeft God dien uit den Hemel uitgestort op alle vleesch, opdat degene, die den dood wenschen te ontvlieden, in staat zouden zijn, des Geestes Gods deelachtig te worden. Indien gij dus op uw leven terugziende, erkennen moet, dat de dingen des vleesches uwen eigentlijken schal uitmaken, zoo bidden wij u door de ontfermingen Gods, dat gij niet alleen de snoodheid en gevaarlijkheid van dit bestaan inziet, maar ook uw hart opent voor de blijde boodschap, dat God dengenen, die Hem daarom bidden, Zijnen Geest geven wil. Stelt u daarbij echter niet voor, dat

Sluiten