Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ping en verwoesting van ons ligchaam. Maar juist door ons ligchaam zijn wij menschen; bijgevolg is de dood de verwoesting van ons bestaan als menschen. Er is over het algemeen te weinig opgemerkt, dat de Schrift ons wezen als menschen bepaald en uitsluitend in ons ligchaam stelt. Leest slechts het berigt van het ontslaan des menschen, in het geschiedverhaal der schepping. «God schiep den mensch,» zoo lezen wij, .. uit het stof der aarde en blies in zijne neusgaten den adem des levens; alzoo werd de mensch tot eene levende ziel (Gen. 2 vs 7).» Niets is duidelijker, dan dat de Schrift hier onze Ugchamelijke natuur als het eigentlijke wezen onzer menschheid beschrijft. Zonder ligchaam zouden wij, schimmen, spoken zijn; door onze ligchamen zijn wij menschen. De dood ontligchaamt ons, en daardoor ontmenscht hij ons. Dat is die ontzettende bezoldiging der zonde! En welk een verschrikkelijke toestand het ziin moet, zonder ligchaam te zijn, kunnen wij eemgzins afleiden uit hetgeen wij door de Schrift van de booze geesten weten. Zij waren eertijds Engelen met heerlijke ligchamen bedeeld. £ij hebben gezondigd, en ook hun is de bezoldiging der zonde, de dood te beurt gevallen, die hen ontligcbaamd heeft. Maar ziet hoe ondragelijk hun die toestand is! Ziet, hoe zij rondwaren, naar ligchamen zoekende, waarin zij wonen kunnen. Zij varen in menschen, somtijds zelfs in grooten getale; en worden zij daaruit verdreven, dan beschouwen zij het als eene weldaad, wanneer zij in de ligchamen van dieren varen mogen (Mare. 5 vs 12). Dat zijn zonderbare verschijnselen in de voor ons nog zoo wéinig bekende wereld der geesten; maar toch verschijnselen, die duidelijk genoeg zijn om ons te doen zien hoe verschrikkeliik het zijn moet, door de zonde het ligchaam verloren te hebben. En m dien verschrikkelijken toestand hebben wij ons geworpen, door onze overtreding tegen dien God, dje ons zoo wonderbaarlijk uit ziel en ligchaam heeft zamengesteld. Welk eene groote genade is het dan niet, dat Hij ons eenen Heiland gezonden heeft, magtig genoeg om ons beide, naar ligchaam en ziel als uit den dood verloste menschen aan God terug te geven.' Maar welk eene ontzaggelijke waardij ontvangt dan niet Zijne opstanding voor ons, die door Hem behouden wordent Daar wordt ons dan de heugelijke waarheid verkondigd, dat God door Zijnen Zoon Jezus Christus er in voorzien heeft, dat wij menschen blijven kunnen, alhoewel wij door de zonde den srond eelegd hadden tot de ganschelijke verwoesting van ons menschelijk bestaan. Ja, dat wij menschen blijven kunnen en dan nog wel zoo veel heerlijker dan de mensch Adam in het Paradijs geweest is, als de Heere uit den Hemel heeriïfrr b dan hij, die nit de aarde aardsch is (1 Cor. 15 vs. 4/).

Sluiten