Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een prachtig gebouw woont niet de geest dier hemelsche dienaren , die als vuurvlammen schitteren voor het aangezigt Gods! (Ps. 104 vs. 4). Maar welke is de heerlijkheid der kinderen Gods die thans nog op aarde wonen ? Alhoewel zij door hunne geboorte boven de Engelen verheven zijn, zoo zijn zij toch door hunne ligchamen minder dan de Engelen, gelijk geschreven staat: Wat is de mensch dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensehen dat Gij hem bezoekt! Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen! De Gemeente woont nog in eenen aardschen tabernakel, die ter verbreking bestemd is, (2 Cor. 8 vs. 1) en die waarlijk de regte bekoorlijMteid en schoonheid, waarmede God hem in het Paradijs bekleedde, reeds sedert lang niet meer bezit. Integendeel, ofschoon dit ligchaam in vergelijking met dat der dieren nog altijd de onmiskenbare sporen zijner vroegere verhevenheid vertoont, — in vergelijking met dat der Engelen is het een vernederd, arm ligchaam, ja een ligchaam der schande. Wie, wanneer hij een geloovig kind Gods, door ouderdom krom getrokken, of door ligchameliwp^kwalen misvormd, of elk oogenblik aan ziekte en schending blootgesteld daarheen ziet gaan, wie zal dan zeggen dat daar een Koning Gods heengaat, die bestemd is om eenmaal met Christus over alle overheid en magt te heerschen, ja zelfs de Engelen te oordeelen? Wie zal dat van hem zeggen, wanneer hij met Job op den mesthoop , of met Lazarus aan de deur van den rijke zit? Hij is een kruisdrager, een verwelkende bloem. Hij is een Koning, maar in een bestoven pelgrimsgewaad, maar in een solWmel bedelaarskleed, vermomd, gemaskerd onder het sterfelijke ligchaam der zonde en des doods. En niet eer zal bij opentKjk bewezen zijn een kind Gods, een heerlijk koningskind te zijn, voor dat deze aaadsche tabernakel verbroken is, om voor een beter gebouw plaats te maken. Reeds draagt hij hier de bestanddeelen, waaruit dat nieuwe gebouw opgetrokken zal worden , in zich, want zij die in Christus gelooven, zijn reeds hier van Zijn vleesch en van Zijne beenderen, gelijk Eva van het vleesch en van de beenderen Adams was (Eph. 8 vs. 30—53). Maar het nieuwe gebouw, thans reeds in het oude verscholen, zal daaruit niet kunnen te voorschijn treden, tenzij gelijk de nieuwe halm uit den ouden dorren graankorrel opschiet (1 Cor. 15 vs. 38—44), namelijk door versterving, door verrotting in den schoot der aarde. Daar moet dat vernederd ligchaam der Gemeente door Christus veranderd worden, opdat hetzelve gelijkvormig worde Zijnen heerlijken ligchame, naar de werking waardoor Hij ook alle dingen aan zich zeiven onderwerpen kan (Philip. 3 vs. 21), en door de werking dier wonderkracht, tal het ligchaam, dat in oneere en zwakheid

i

Sluiten