Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mei hoe veel regt ons .ligchaam dezen titel verdient. Is ook al het ligchaam zelf niet zondig, het is toch op zoo naauwe wijze verbonden met het zondige vleesch, dat zijne leden gedurig lot wapenen der ongeregögheid gesteld worden. Sedert dat God door Zijnen Geest een nienw leven in ons hart verwekt heeft, is ons dit eerst regt duidelijk geworden, en van dien tijd af heeft ons dat ligchaam eenen bestendigen strijd gebaard. Welke zijri niét de onreine, vijandige, afschuwelijke bewegingen die in dit ligchaam huisvesten! Hoeveel schaamte, bekommernis en vreeze veroorzaken zij ons niet eiken dag ! Welk eene hardnekkige worsteling tegen vleesch en bloed hebben wij niet onafgebroken te voeren, om de ledematen, die op aarde zijn, te dooden en ze te kunnen stellen tot wapenen der geregtigheid, in de dienst van den levenden God! O, dat noopt ons in den harnenden strijd dikwijls tot een zuchten, gelijk aan het zuchten eener vrouw die in barensnood is, zoodat wij uitroepen: Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het ligchaam dezes doods! Maar zie hier, uit de geopende groeve onzes Heeren klinkt eene heugelijke tijding, die ons zuchtend hart vertroost. Wij zullen de verlossing onzes ligchaams eenmaal aanschouwen ! Wij zullen het beeld van den aardschen Adam weldra verwisselen met het beeld des Hemelsehen. En in dat beeld zal geen spoor , geen trek, geen schijn of schaduw van zonde meer zijn. Ziet hoe de uit het graf Verrezene daarheen wandelt in Zijn verheerlijkt ligchaam! Daar is geen Duivel meer die Hem verzoekt, want Hij is boven alle verzoeking verheven. Geen vleesch is er meer in Hem waarover Hij in tranen bidden moet: «niet Mijn, maar Uw wil geschiede 1» De natuur des aardschen Adams is in Hem aan het kruis veroordeeld, in bet graf afgescheiden, en in de eeuwige volmaaktheid eener door geene zwakheid gekrenkte, voor geene verzoeking meer vatbare natuur, wandelt Hij voor het aangezigt Zijner broederen. Zoo zal ook ons toekomstig ligchaam zijn. Welk eene verandering voor ons, die niet, zooals Hij, louterde zwakheid, maar ook de zondigheid en verdorvenheid der nature Adams deelachtig zijn! Welk eene verandering, wanneer wij overgegaan zijd in een ligchaam zoo rein, in al zijne behoeften en begeerten zoo volkomen eenswillend met God, gelijk het ligchaam Van Christus! Ach! dat zal onuitsprekelijk zijn, wanneer daar in ons gansche wezen geene de minste beweging, hoe gering ook, gevonden wordt, die de volkomene harmonie der zalige gemeenschap met God, zelfs voor een oogen blik dreigt te verstoren. Eene natuur, waarvan geschreven staat: zij kan niet zondigen, want Gods zaad blijft in haar.

Het ligchaam, dat wij thans omdragen, deelt in alle opzigten in het lot en de ellende der tegenwoordige schepping, waar-

Sluiten