Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij aan uwe goede moeder zegt hetgeen gij daar zoo aan mij zeidet, dan twijfel ik niet, of dit zal haar meer genoegen geven dan het uitgezochtste geschenk haar gedaan zou hebben."

//O," antwoordde de knaap, //ik zeg haar immers iederen morgen en eiken avond, hoe innig lief ik haar heb. Zij weet zeer goed, dat mijn gansche hart haar toebehoort, en heeft mg daarom even zoo lief. Ik wilde haar op haren geboortedag iets anders en iets beters zeggen dan hetgeen ik op iederen dag tot haar spreek; maar ik kan maar niets bedenken."

Nu sprak de leermeester vertroostend tot hem: //Zie, myn lief kind; aan het moederhart kunt gij niets schooners, niets beters geven dan kinderlijke liefde. Al bragt gij aan dat hart alle schatten der aarde, goud en edelgesteente, zy zouden voor uwe moeder geene waarde hebben, indien uw hart koud, zonder liefde voor haar was. Iedere liefdevolle uitboezeming uit uwen mond is voor haar een kleinood van onberekenbare waarde. Met hetzelfde innige genoegen ontvangt zy steeds de bewijzen uwer liefde hoe gering die in uw oog ook schijnen mogen. Om u echter genoegen te doen en in staat te stellen om op den feestdag uw gevoel op eene eenigzins andere wijze te kunnen uitdrukken, zal ik eenige dichtregelen voor u opstellen."

Nu was kakel hoogst gelukkig. De meester plaatste zich aan zijn lessenaar, schreef eenige regels, riep toen den knaap en las ze hem voor,

" Dat^ is mij geheel als uj^ het hart genomen, beste meester, ' sprak kakel in «ene wezenlijke verrukking. // Wat zal dit mijner lieve goeder een genoegen doen! Heb~*danl^hartelijk ^ank voor uwe hulp!" Bewogen kuste de meester den schoonen, liefdevollen knaap, en «prak: // het komt er nu maar op aan, of gij het kleine

gedicht in uw geheugen zult kunnen prenten, opdat gij het overmorgen zonder haperen zult kunnen opzeggen. Kom, zoodra gij meent het van buiten te kennen, weder bij mij, opdat ik u overhoore en eens zie hoe gij het voordraagt."

Vrolijk zocht karel nu de overige broeders en zusters op, om hun mede te deelen hoe schoon de vriendelijke meester hem geholpen had. Vol lust en ijver zette hij zich toen neder om het gedicht van buiten te leeren, en binnen weinig tijds kon hij het. De meester overhoorde hem, en was zeer tevreden jlat hij het zoo spoedig en zoo naauwkeurig geleerd had. Ook op de voordragt had hij maar een paar aanmerkingen te maken, welke kakel dankbaar ter harte nam. Hij leverde hier een bewijs op, hoe gemakkelijk datgene valt waaraan het hart een innig deel neemt.

Eindelijk was de blijde dag aangebroken. De kinderen gingen gezamenlijk naar de geliefde moeder. De oudsten gingen vooraan en bragten haar hunne hartelijke wenschen en aardige geschenken; toen kwamen ook de jongeren. Kakel, als de jongste, besloot den trein. Met eene stem, die de duidelijke sporen droeg van innerlijke aandoening, maar toch duidelijk en onbedremmeld, ving hy aan:

De winter is aan bloemen arm,

't Is alle3 koud en niets is warm.

Geen vogel zingt; een nevel dekt

Het slapend land, door niets gewekt.

Doch, of 't al winter waar geweest!

Zóó is 't mjj moeder op uw feest.

Ik vraag wat mij in 't harte gloeit ?

Het is m' of reeds de lente bloeit.

Sluiten