Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naast de anderen, op het strooleger neder, hetwelk achter in de kamer gespreid was geworden.

Naauwelijks had hij den volgenden morgen een uur weegs afgelegd, of hij zag in de verte verscheidene lieden, die op hem af schenen te komen. Spoedig zag hij dat het soldaten waren; en daar in dien tyd de voorbeelden van gedwongene wervingen niet zeldzaam waren, bekroop hem de angst, dat hem zulk een treurig lot overkomen zou. Nergens ontdekte zijn oog eene woning; nergens eenen mensch, die hem kon bijstaan. Deze plotseling opkomende angst spoorde hem aan, de vlugt te nemen. Men scheen dit verwacht hebben, want toen hy aan eenen zijweg kwam en zijnen vervolgers ontsnapt meende te wezen, traden hem twee soldaten juist van dien kant in den weg. Een hunner, die hem zijn geweer dreigend voorhield, greep hem aan met de woorden: „ Gij Zijt mijn gevangene!" „Wat heb ik dan misdreven?" vroeg de jongeling. „Dat zal blyken," luidde het antwoord, „nu voorwaarts, terug naar de stad I"

Door den sidderenden johan gevolgd, kwamen zij terug in de stad, alwaar hij den regter werd overgeleverd, die hem toornig aansprak en alles wat hij bij zich had liet doorzoeken en in bewaring nemen. „Nu voor den dag met den geldzak I" schreeuwde men hem toe. Men denke zich den schrik des ongelukkigen, toen hy vernam , dat in den verloopen nacht den waard zyn geld ontstolen was geworden, en dat er gezegd was, dat men johan des avonds het kastje heimelijk had zien open maken, zoodat men niemand anders dan hem van den diefstal beschuldigen kon.

In dien tijd was bij het regterlijk onderzoek de pijnbank nog in gebruik. De zamenloop der omstandigheden

deden onzen johan zeer verdacht voorkomen, en zijne zaak had een ernstig en treurig aanzien. Zelfs de berigten, welke men uit zijne geboortestad omtrent hem had ingewonnen, luidden niet bijzonder gunstig voor den armen jongen; daar zijn pleegvader, uit vrees van in onaangenaamheden en daardoor ook in kosten te vervallen, zich er met mede wilde inlaten, en onmenschelyk genoeg was om te zeggen , dat johan hem ook in zijn huis menigen ligtzinnigen trek gespeeld had.

Ondanks het medelijden hetwelk men met den jongeling had, bleef hij hulpeloos aan zijn treurig lot overgelaten. Kon echter de deernis, welke men met hem had, ook al geenen beduidenden invloed uitoefenen op den gang van de geregtelijke verhooren, welke hij moest ondergaan, toch maakte zy hem zijne gevangenis dragelijker. De gevangenbewaarder poogde niet slechts, hem eenige betere spijs te bezorgen dan die welke in deze treurige woningen wordt uitgereikt, maar op johan's verzoek zorgde hij ook voor voedsel voor zijnen geest, en leende overal boeken voor hem. Zoo viel hem onder anderen een latijnsch boekje in de handen, welks titel was: „hoe men christüs moet navolgen " en dat eenen diepen indruk op hem maakte. Hij verstond de schoone, edele taal zeer goed; en de echt vrome geest, welke in dit werkje doorstraalde, maakte het tot een dierbaar kleinood voor zyn hart. Hij las het telkens op nieuw, totdat hy. het eindelyk van buiten kende, en vond daarin eenen troost in zijn ongeluk, welke hem in staat stelde, onderworpen aan den wil Gods, zyn verder lot bedaard af te wachten.

Na veelvuldige verhooren, welke over den diefstal geen helderder licht wierpen, werd er eindelijk besloten tot de pijnbank over te gaan. Dit gruwelijke middel om bekentenissen te ontpersen was toen, gelyk wij reeds

Sluiten