Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit ook klinke, denkt nu eens, dat zoodanige paarden wezenlijk bestonden. Als ik u dan diezelfde vraag deed, zoudt gij die dan nog zoo dom vindenP Zekerlyk niet! Gewis zoudt gij mij dan ten antwoord geven, dat het onderscheid tusschen een paard en een paard dit kon wezen, dat er paarden zijn op vier pooten, die geene vleugels hebben, .terwijl andere, welke op slechts drie pooten voortspringen, vleugels aan den nek dragen. En gy zoudt zeer goed geantwoord hebben. Maar nu moet gij dit eens op het vorige toepassen, hetgeen ik gerust aan uw eigen nadenken overlaat. Immers is het u duidelijk geworden , dat men ten minste twee verschillende zaken moet kennen , wil men van onderscheid kunnen spreken. Ja, gaat het eens bedaard en verstandig na, en gij zult mij gelijk geven, als ik beweer, dat God niet van elke slechte daad de gevolgen kan beletten. Evenwel gaat dit van den anderen kant niet zoo ver, dat de Algoede ons geheel aan ons zei ven overlaat. Neen, dat zij verre! Daarmede gaat het, zoo als, in ditzelfde verhaal, met den armen hendrik. Diens deugd en godsvrucht zagen wij allengs onder zware beproevingen bezwijken; maar toch bleef de liefderijke Vader in den hemel zorg voor zijn arm kind dragen. Zijne regtvaardigheid deed dat in hugo eenen verzorger, en daardoor redding en uitkomst vinden.

De jonge Adelaars.

Op een paar hooge rotsen hadden

Twee adelaars zich 't nest gebouwd. Och ziel hoe 't wijfje en ook de vader, De kleinen liefdevol beschouwt!

Eens zien de kleine eigenwijzen (Z\j groeijen nu al aardig op)

Met lange, uitgerekte halzen

Naar onder, van den hoogen top.

De ouden beven! — haastig trekken Zij angstig hen in 't nest terug.

Maar, ach! hoe weinig baat dit zorgen! De jongen zijn hun reeds te vlug.

Eens waren beiden uitgevlogen.

Zij zochten voedsel, 't arme paar!

Zoo trippelt aanstonds een naar voren

En fladdert weg. Maar, ach! ziedaar Hem neergestort! De zwakke vleugel

Droeg nog zoo ver den waaghals niet.

Daar ligt hij bloedend en vermorseld,

En klaagt erbarmelijk. — Dat ziet De moeder, vliegt er henen —

Doch, ach! zij komt er nog te laat! En hijgend ziet zij , hoe haar kindje

Dus door zijn eigen schuld vergaat.

Nog even opent het zijne oogjes,

En ziet haar teeder, rouwvol aan.

Het scheen, of 't diertje zeggen wilde: // Ach , moeder I wat heb ik gedaan ? Och! hadde ik naar uw' raad geluisterd,

Dan lag ik nu niet bijna dood,

Verpletterd! verwde niet zoo aklig

Mijn bloed den grond hier rondom rood!"

De ouders wilden nu hun kind naar 't nestje dragen.

Te laat! Het was reeds dood.

De moeder weende en sprak : //Ziet, kindren ! welke plagen, ■ Ziet! wat uit eigen schuld ontsproot!

Sluiten