Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Roos.

//Het is toch jammer!" zeide trits tot zijnen rader //dat de roos, nadat zg heeft uitgebloeid, niet nog schoone vruchten draagt!"

'/H°e meent gij dat, mijn lieve fbits P" //Wel, vader! dan kon zy des zomers aan de natuur haren dank toebrengen voor den schoonen tijd van hareu bloei gedurende de lente." "

//Myn beste jongen! nog is het mij niet duidelijk wat gij eigenlyk bedoelt." '

//Ik wil dit zeggen: myn vader noemde de roos zoo vaak de bloem van vreugde en onschuld."

u Welnu P"

//Ei droeg zij nu ook vruchten, dan zou zy tevens het beeld van de dankbaarheid zijn!"

" Nu begrijp ik u, mijn goede frits ! Doch, lieve! gij dwaalt! Zeg my, geeft zij niet hare geheele, zoo aanvallige gedaante tot verfraaiing der lente, dat lievelingskind der natuur P"

// O ja, zeker !"

// En tot vergelding van den dauw en het licht haar uit de hoogte ten deel vallende, offert zij daarvoor niet haren aangenamen, liefelijken geur?"

//Gewis, mijn vader! Daarom heb ik haar ook zoo lief!" //Dan, niet waarP sterft het roosje te gelijk met de lente, voor welke zy geboren werd."

//Ja, vader! IIlaar....,,

"Myn zoon!" sprak nu de vader ernstig, doch zacht en vriendelijk, „leer dan nu door mijnen mond nog dit van het roosje: de zachte, stille, weinig in het oog vallende dank is de schoonste!"

Sluiten